woensdag 4 juni 2008

Ice Age + The Lord of the Rings = THIS IS THE REAL PATAGONIA!

Chili, 21/3/2008, 11 323 km afgelegd (zonder vlucht)
Taal: Spaans, Mapudugun, Rapanui
Munteenheid: Chileense peso’s
Inwoners: 16 miljoen
Oppervlakte: 748 000 km² land, 8150 km² water en 6435 km kustlijn

Er wordt weer serieus gevraagd naar nieuwe foto’s en tekst dus ik zal mijn pen nog maar eens scherpen en mij eraan zetten. Birger is naar de Spaanse les dus ik word verondersteld die tijd nuttig te gebruiken, maar het is zo’n mooi weer buiten en zoals je verder zal lezen (als je zover geraakt :op ), hebben we juist een lange periode in de kou achter de rug en voelt het nu alsof het eindelijk terug zomer geworden is….ZAAAAAAAALIG!!!!

Ik moet mijn ondertussen lang uitgesponnen draad terug oppikken in het luchtruim ergens boven Zuid-Amerika. Na de 213de uitleg over zuurstofmaskers, nooduitgangen, etc., een naar karton smakende maaltijd, een tussenlanding in Lima, de 214de uitleg over zuurstofmaskers, nooduitgangen, etc., een naar papier smakende maaltijd om drie uur ’s nachts eindelijk plakkend en stinkend geland in Santiago de Chile. We kozen een hostal uit de gids en hoopten tegen beter weten in (het was nog steeds Semana Santa) dat er plaats zou zijn. Daar aangekomen was het precies grote feest, alle lichten brandden en veel volk in de receptie, JEZZZZZ dachten we… het bleek al snel ijdele hoop!!!! Terug de straat op met al onzen BAZAAR en hopen dat we elders meer geluk zouden hebben! Er was blijkbaar één of ander punkoptreden juist afgelopen, want de straten waren alles bijhalve verlaten (zoals je om halfvier ’s nachts zou verwachten) en het was geen alledaags tafereel ook niet. Gekleurde hanenkammen, kettingen, piercings op de gekste plaatsen, combats, gescheurde broeken,… Normaal heeft een punker veel bekijks nu waren zij echter de norm en wij de uitzondering… en HILARITEIT toen de twee muilezels voor de derde keer langsliepen. Ja we hadden geen geluk deze keer, alles was gesloten ’s nachts. Enige oplossing: ons budget naast onze vermoeide lichamen neerleggen en een nachtje hotel ipv hostel. Het was duurder, maar we sliepen wel als na een klop van den hamer!!!! We bleven een aantal dagen in Santiago (in een spiksplinternieuw hoStel), en genoten nu het nog kon van de zon en van de warmte. We zouden onze sleffers dra voor lang mogen opbergen. Veel te doen hier! We namen onder andere een zeer toeristisch treintje naar boven op den beeee-reg en genoten van een prachtig zicht op de stad die van zo hoog heerlijk leek te soezen in de zon onder een dikke smogdeken. Ver in den decor en achter nog veel meer smog konden we met moeite enkele toppen van de Andes onderscheiden.

Ik vond trouwens dat het tijd was van eens naar de kapper te gaan, ik had het al veel te lang uitgesteld. Als je zou kunnen zien hoeveel ‘geplukte kiekens’ hier rondlopen dan zou je dit soort uitstelgedrag (dat normaal eerder met een nodig tandartsbezoek geassocieerd wordt) zeker begrijpen. We waren hier echter in een grote stad en het was al zes maanden (met veel zon, water en weer en wind) geleden, dus HOOG TIJD! Als ik geweten had hoe het zou uitdraaien, zou ik waarschijnlijk gewacht hebben tot in Buenos Aires. Ik moet er nog even bijvertellen dat het Chileens Spaans onmogelijk is. Het is heel onderhevig aan modewoorden en ook vele oude ‘indianenwoorden’ hebben zich knus genesteld in het taaltje, gevolg: ik had het niet verwacht, maar ik moest hier terug de trukkendoos van het begin van Sevilla bovenhalen. Als ik na drie keer Que? Que?! Lo siento, pero QUE?! het NOG niet verstaan had: glimlachen en knikken maar en dan maar hopen dat dit een juiste reactie is… haha! Ik had dit na drie dagen Chili en enkele basisconversaties nog niet echt door, maar na mijn bezoek aan de kapper….OH JAWEL!!! Ik heb in het midden van de knipbeurt echt STOP STOP STOP moeten zeggen. De kapster van dienst knipte veel te veel af en was druk in de weer met de uitdunschaar om mij waarschijnlijk ook te converteren in één van die geplukte kiekens. Alles wat ik zei verstond ze wel, maar dan antwoordde ze en kende ik in één zin maar drie woorden ofzo….wat een ramp! En heel den tijd ‘Esta cemado, esta cemado’ (letterlijk het is verbrand). Het is achteraf gezien allemaal nog wel goed meegevallen, maar enkel omdat ik ze int midden echt gestopt heb om nog eens duidelijk te maken hoe ik het wilde hebben met tekeningetje (fotoboeken had ze enkel van geplukte kiekens). Ik had door heel dit gedoe ook totaal de tijd uit het oog verloren en toen ik terug bij ons hostal kwam, was Birger (terecht) in alle staten, omdat onze bus richting eiland Chiloé binnen een halfuur ribbedebie zou zijn. In de haast geld verloren en mijn gekoesterde TOBLERONE reep die ik op de vlieghaven TIEN, ja u leest het goed TIEN dollar betaald had, vergeten…en natuuuuuuurlijk toch nog op de bus moeten wachten. We verschoten wel toen ze er eindelijk aankwam. Wat een luxe!!!! We hadden natuurlijk veel meer moeten betalen dan we in Centraal-Amerika en Colombia gewend waren, maar we kregen dan blijkbaar ook waar voor ons geld. Vanaf nu zou het twee maanden zo zijn. Chili en Argentinië zijn alles bijhalve ontwikkelingslanden vergeleken met wat we al gezien hebben en hierna nog zullen zien (ja ik kan nu natuurlijk in de toekomst kijken). Drie goeie recente films in de bus en zelfs een maaltijd!!! Die laatste natuurlijk van hetzelfde allooi als dat naar karton smakende ‘vliegtuigeten’, maar toch voelden we ons de koning te Frankrijk!!! Het was wel een verdomd lange reis, maar daar zouden we ook aan moeten beginnen wennen, het waren tenslotte MAAR 17 uur in totaal. Aankomen in Castro, Chiloé viel een beetje tegen.…gedaan met het mooie weer! Alle mutsen, sjaals en handschoenen en dikke truien terug van vanonder in de rugzak moeten gaan opgraven en de mensen en stuk minder vrolijk. We waren natuurlijk niks meer gewoon, want we zagen andere toeristen die juist van het Zuiden (waar het dus kouder is, en als je er dan begint bij na te denken gebruiken ze hier waarschijnlijk de voor ons vreemde uitdrukking ‘we trekken naar het warme Noorden’) kwamen in t-shirt met lange mouwen rondlopen. Ze moeten gedacht hebben, ‘amai die zijn ook ‘NIKS’ gewoon’…ze zouden eens moeten weten! Ge wordt het ZO snel gewoon…en het zal ZO moeilijk zijn van terug het tegengestelde gewoon te worden….oh ja, je mag er zeker van zijn dat we dat beseffen!!! We ontdekten ook meteen dat we al ‘buiten’ seizoen waren. De volgende dag misten we de enige bus die naar het nationaal park reed met een halfuur. We dachten negen uur is vroeg genoeg om te gaan en er zullen wel meerdere bussen rijden per dag… NOPPES!!! Een week geleden nog wel, maar nu was officieel het ‘laag’ seizoen begonnen en dus maar 1 bus per dag! We besloten dan maar van een fiets te huren en zo een beetje het eiland te verkennen. Wat een SLECHT plan! Van het moment dat je de grote baan afging was het gewoon pijlrecht naar boven. Mijn conditie is niet echt om over naar huis te schrijven, maar Birger geraakte ook niet boven, dus het was echt wel een beetje TE! Wel veel lekkere, superrijpe braambessen naast de weggetjes, dus daar deed ik mij dan maar aan tegoed als ik weer eens niet meer kon (wat wel een groot deel van de tijd was :o) ). De kerel van het hostal (een gewoon woonhuis met een aantal kamers) probeerde ons natuurlijk te overtuigen om de volgende dag toch nog het nationaal park te bezoeken en dus nog een nacht extra te blijven, maar we moesten nog altijd zo snel mogelijk naar het Zuiden en Castro had ons hart niet veroverd dus de volgende dag de bus naar Bariloche. Veel stress of we mijn zelfgemaakte lasagne over de grens zou mogen nemen (we hadden gehoord over strenge ‘voedsel’controles aan de grenzen), maar geen probleem. Het zijn volgens de Argentijnen enkel de Chilenen die lastig doen, en dat zou achteraf ook bevestigd worden (sorry T.Ro :op).

Argentinië, 28/3/2008, 13 288 km afgelegd
Taal: Spaans en Quechua in het Noordwesten van de Andes
Munteenheid: Argentijnse peso’s (origineel niet?)
Inwoners: 39 miljoen
Oppervlakte: 2,8 miljoen km²

Na een hele dag bus konden we ons dus aan de andere kant van de grens tegoed doen aan heerlijke lasagne (al zeg ik het zelf)…en eindelijk de mensen terug verstaan. De Argentijnse versie van de taal van de conquistador is niet enkel verstaanbaar, maar mijn tot nu toe favoriete versie (zelfs beter dan het origineel, sorry Vava). De Argentijnen spreken Spaans zoals Italianen Spaans spreken of eerder ‘zingen’ en veranderen alle J-klanken door een CH-klank en rollen heerlijk met hun RRR…ik vind het ongelofelijk mooi klinken. Bariloche lijkt juist met landschap en al opgepikt te zijn in Oostenrijk of Zwitserland en hier vervolgens neergeplant. Houten chalets, besneeuwde bergtoppen, ijskoude meren en de Argentijnse hoofdstad voor chocolade. Wij Belgen zijn op dat vlak natuurlijk veel te verwend om hier een HMMMMMMMMMMM ervaring te kunnen beleven, maar dat werd dan op een andere manier weer goed of HEEL goed gemaakt. Hoe? Wel tijdens ons eerste bezoek aan de supermarkt dachten we te hallucineren toen we enkele literflessen STELLA ARTOIS (HALLELUJAH, HALLELUJAH!!!!) naar ons zagen lonken vanuit de koelkast. Na eens knijpen in elkaars arm en het heerlijke besef dat de andere hetzelfde zag, konden we dus voor de eerste keer in zes maanden een onovertroffen Belgisch pintje in ons karretje leggen. Stella wordt hier sinds kort gebrouwen en is SUPER populair, ja hoe kan het ook anders natuurlijk? ;o) Eigenlijk kon Argentinië niet veel fout meer doen en we hadden Buenos Aires zelfs nog niet gezien… We waren nog altijd gehaast, dus de volgende dag meteen een lange wandeling/trektocht gedaan op en rond de toppen van het ‘grootste’ skioord van de Andes. Als het echt het grootste skioord was dan was het teleurstellend. Vier liftjes zagen we….hmmmm. Wel een prachtige wandeling, maar vermoeeeeeeiend. We hadden ook de kaart niet voldoende geconsulteerd, waardoor we in de helft terug moesten langs dezelfde weg, omdat het volledige parcours te lang zou zijn om nog af te leggen voor den donkere. Wel even vloeken (vooral bij mij dan, ik maak liever lussen), maar toch weeral een lesje geleerd voor de trektochten/wandelingen die nog zouden volgen. De volgende dag dus al (gehaast als we waren) de bus op naar El Bolson. Een oud hippiedorp dat vooral aantrekkelijk is voor reizigers door de ‘mercado de artesanias’. Al die oude (en jonge) hippies die hun zelfgemaakte kunst, sierraden, kleding,…te koop aanbieden op het centrale plein van het stadje. Hier kon ik eindelijk vervanging zoeken voor mijn ring die ik na zes jaar aan mijn vinger kwijtgeraakt was in de wilde waters van Belize. We oefenden hier nog maar eens ons klimmen, klauteren en stappen, stappen en nog eens stappen. We hadden blijkbaar toch niet goed (genoeg) onze les geleerd in Bariloche: verkeerd gelopen deze keer en daardoor het hoogtepunt van de wandeling (‘cabeza del indio’ = rots afgesleten in de vorm van een ‘indianenhoofd’) gemist. Het zelfgetekend plannetje van de eigenaar van ons hostal was blijkbaar TOCH niet zo accuraat (en in het begin was het nog zo veelbelovend, gedetailleerd juist). Toen we achteraf een foto zagen van de rots waren we al niet meer zooo teleurgesteld…je had wel HEEL veel verbeelding nodig om er een indianenhoofd in te zien! :o)

Nu zat het echte werk er aan te komen. Die avond zouden we de bus nemen naar El Chalten, wat per bus een 36 uur verder zuidelijk ligt als El Bolson. Die busreis zou de volgende maand reizen beïnvloeden. We zaten enkel met toeristen op de bus en toen we ’s ochtends wakker werden, konden we onze ogen niet geloven. Woestijn, woestijn, woestijn….zo ver je kon kijken. Geen bergen, geen bomen, geen rotsen laat staan huizen of dorpen…plat, plat, plat…uren aan een stuk en ook zand, zand en nog eens zand en dus STOF, STOF, VEEL TE VEEL STOF!!! De enige begroeiing waren kleine, droge struikjes ter grootte van een soepkom. We begrepen ook ineens waarom de bus ineens een paar klassen lager was. Geen verharde weg en superveel STOF dat door alle spleten en kieren de bus binnendrong. DIT was Ruta 40, oftewel de Route 66 van Zuid-Amerika, oftewel HELL!!!! Na een 20 uur rijden ineens in het midden van het grote uitgestrekte NIETS: een dorp. We dachten aan een plaspauze toen de bus stopte, maar neenee we zouden ons hier vier uur moeten bezighouden en wachten op een aansluitende bus. Niemand wist hier iets van, maar ja we moesten wel. Er was NIKS, maar dan ook NIKS in dat dorp, zo dood als een platte pier! We leerden elkaar (de andere toeristen op de bus) wel beter kennen en ontdekten dat we met een ongelofelijk grappige Japanner, Masashi genaamd, op de bus zaten. Toen we uiteindelijk na vijf uur wachten opgepikt werden door een nog krakkemikkerige bus en na nog maar eens een nacht dooreen gerammeld te zijn, werden we onder het stof bedekt wakker gemaakt door de chauffeur. Het was nog donker en vooral heel koud buiten, maar we waren blijkbaar aangekomen in El Chalten dus moesten de bus verlaten nu we EINDELIJK in slaap gevallen waren. Man, dit dorp was zo mogelijk nog kleiner als het vorige. Te voet en geteisterd door de ijzige wind op zoek naar een hostal. Aangekomen was er gelukkig plaats, maar mochten we nog niet op de kamers, dus besloten we iets heel moedig te doen (of toch wat ik moedig vind). Na twee nachten in een rammelige bus, weinig slaap en bedekt onder een laag stof raapten we toch de moed bijeen van naar Mirador de los Condores te wandelen om de zonsopgang op cerro (=berg of rots) Fitz Roy te gaan bewonderen. Normaal (als er geen wolken voor de zon zitten) kleurt die (Fitz Roy) prachtig oranje wanneer de zon er haar eerste stralen op werpt. We hadden niet zo veel geluk (er waren WEL wolken), maar het was toch heel mooi toen de eerste zonnestralen na een uur wachten de cerro Torre en cerro Fitz Roy deden oplichten (al was het dan niet in het oranje). We waren ondertussen toch al alles samen aan het doen dus besloten de zeven dwergen ook maar ineens van samen één van de wandelingen in de buurt te doen. Het enige dat je hier kan komen doen is wandelen en trekken, anders moet je hier niet zijn. We besloten dus de daad maar meteen bij het woord te voegen. Je kunt je inbeelden dat we aan het einde van deze dag, echt doodop waren! Het bleek een heel goed plan geweest van ’s morgens (eigenlijk was het nog ’s nachts) de Fitz Roy te gaan bewonderen, want voor de rest van de dag was het bewolkt en kregen we hem niet meer te zien. We waren pas terug toen het al donker was en die douche voelde beter dan een douche ooit gevoeld heeft denk ik, maar toen hadden we Torres del Paine nog niet gedaan natuurlijk. De wandeling die we gekozen hadden bleek prachtige, maar lang. Het was herfst, dus alle bomen waren prachtig rood, oranje, geel en groen gekleurd. Masashi bleek nog zotter te zijn dan we eerst dachten. Hij poseerde naakt aan een van de gletsjermeren (IIIIIIIIIIIIJSKOOOOOOOOOUD) en liet achteraf foto’s zien van op de zoutvlaktes van Uyuni en bij de beelden op de Paaseilanden….allemaal NAAKT (zie foto’s). Ik had op die wandeling ook de eerste echte AAAAAAAH-ervaring met een Amerikaan (die ook op onze bus zat) die onverbiddelijk stelde dat Amerika het beste land was en dat Amerika recht had op de macht die het nu op wereldschaal uitoefende, omdat het ons ‘volledig onzelfzuchtig’ geholpen had in WOII, waarop Masashi met zijn grappig Japans accentje antwoordde ‘I think he folgot about the (hij zette voor alle plaatsnamen en landen een ‘the’) Hiloshima and the Nagasaki’. We waren wel weer een grappig samengesteld internationaal gezelschap (België, Duitsland, Israël, Japan, US en Zwitserland).

Wij wilden de volgende dag al verder, René (de Zwitser) kon vreemd genoeg niet genoeg krijgen van de gletsjers en de bergen (ja krijgen wij ooit genoeg van frieten?) en wilde nog een dag blijven, Suska (de Duitse) bleef ook nog een dag om te rusten, de Israëli’s vertrokken al vroeg in de ochtend. Masashi vertrok na lekker uitgeslapen te zijn ’s middags met ons en wat Jason (de Amerikaan) zou gaan doen, kon ons allemaal niet schelen eigenlijk (oh zo gemeen). Volgende halte: Calafate: MAAR vier uurtjes bus verder en weer een dorpje met hoog ‘Oostenrijk-gehalte’. Hier zou ik begrijpen waarom in het hostal in El Chalten een papier op de deur hing met ‘slaapzakken STRIKT verboden’…. BEDBUGS!!!! Na de eerste nacht werd ik ’s morgens wakker met een aantal beten en de tweede nacht vond ik weliswaar twee van de bloedzuigers in mijn bed (zie foto) BAH!!!!!! Daar moet je dan voor in Argentinië aanbeland zijn (het kon dus toch nog WEL iets fout doen!?), misschien (nee zeker) één van de best ontwikkelde (wedstrijdje met Chili) landen van onze reis. El Calafate bestaat enkel maar omdat Argentinië dan dacht meer kans te maken de gletsjers toegewezen te krijgen waar Chili en Argentinië lang over gevochten hadden. De truc werkte en daarom waren we nu hier in Argentinië en niet in Chili om glaciar Perrito Moreno (de bekendste omdat het één van de enige gletsjers ter wereld is die nog steeds groeit (hij schuift tot 2m per dag op)) en zijn broertjes glaciar Upsula en glaciar Spegazinni te komen bewonderen. Ik kan veel woorden gebruiken om te proberen beschrijven welk gevoel het geeft van vanop een boot naar zulk een enorme (60 m boven waterspiegel) krakende ijsmassa te staan staren, maar je moet het toch met eigen ogen zien (ook foto’s zeggen niet veel vind ik). Op een gegeven moment kwam er op een 100 m van onze boot een enorm gevaarte uit het water opgerezen. Ik dacht even in een opname van een science fiction film beland te zijn, en een gigantisch monster uit het eerst zo onverstoorde wateroppervlak oprees. Een seconde later hadden we echter door dat er onder water (de gletsjer gaat onder het wateroppervlak door tot de bodem van het meer (180m!!!!)) een gigantische (zo groot als een huis) brok ijs was afgebroken die vervolgens naar het oppervlak was geschoten en nu met veel lawaai en druk watergespetter zijn evenwicht probeerde te vinden in het water (op één van de foto’s is het wateroppervlak nog niet gebroken en ligt het als het ware als een mantel over de ijsbrok, prachtige foto!). Dat was heel veel geluk hebben, en het maakte goed dat we in tegenstelling tot de anderen (Masashi en René die een dag later bij de gletsjer op bezoek gingen) geen gigantische brokken ijs van de gletsjer in het water zagen vallen (wel gehoord, maar net te lang geluncht om het te zien gebeuren, verdorie). We twijfelden een (dure) tour te doen en nog meer gletsjers en gletsjermeren te gaan bekijken. We komen hier waarschijnlijk niet snel (misschien nooit) meer terug dus besloten dan toch maar diep in onze zak te tasten voor dit ‘ijsfestijn’. De meren rondom de gletsjers hebben een typisch turkooisblauwe kleur door de aanwezigheid van kleine korrels gesteente die afgeërodeerd werden door de schurende werking van de ‘stromende’ gletsjer over de rotsen. Prachtig maar wel IJSKOUD!!! Ja wat wil je ook natuurlijk? We waren in het gezelschap van Harrold, een Hollander, en die kon (na mijn gezaag natuurlijk) supergoed die eekhoorn van Ice Age nadoen (zie foto waar hij op een rots in het water staat), en dat maakte het gevoel van in ‘Ice Age’ beland te zijn nog groter. Zo zot dat wij vandaag nog een stukje van de enorme ijsvlaktes die 10 000 jaar geleden letterlijk als ijs voor de zon verwenen, kunnen bekijken. Veel van de gletsjers (bijhalve Perito Moreno) zijn op tien jaar tijd echter enorm teruggetrokken en deze gletsjers en ijsvlaktes zijn naast betoverend ook de derde grootste zoetwaterreserve ter wereld, misschien toch maar wat meer de fiets pakken wanneer we terugkomen, zodat we toch ook ons steentje bijdragen tot het behouden van dit UNESCO werelderfgoed. Wij maken ons hier vaak druk over de roetzwarte rookwolken die je veel bussen (vaak degene waar je zelf plaats in moet nemen) hier ziet uitstoten. We fantaseren soms over projecten die we zouden kunnen opstarten om er iets aan te doen, maar ja, wie zijn wij? Het hoogtepunt van deze tour waren de gigantische blauwe (!) ijsbergen die overal rond de boot in het water dreven. Sommigen waren zo kunstig gevormd dat je bijna niet zou geloven dat dit natuurlijk gevormde stukken ijs zijn en geen sculpturen…al is de natuur zélf natuurlijk de grootste kunstenaar op aarde. Dat is ook iets dat we elke dag meer en meer beginnen inzien en met elke extra stukje wonderbaarlijke kunst dat we onder ogen krijgen, worden we grotere fans! Nadat Masashi en René ook hun portie ijs en ijkoud achter de kiezen hadden (de twee waren trouwens beiden op het kinderlijke af gek van ijsjes) besloten we samen de trek in Parque Nacional Torres del Paine te doen. Terug naar Chili dus en weer een mooie Chileense tweekleurige stempel in ons paspoort.

Chili, 1/4/2008, 15 291 km afgelegd
Taal: Spaans, Mapudungun en Rapanui
Munteenheid: Chileense peso’s
Inwoners: 16 miljoen
Oppervlakte: Oppervlakte: 748 000 km² land, 8150 km² water en 6435 km kustlijn

Nadat we een extra dag in Puerto Natales hadden gewacht, omdat het weer echt TE slecht was (sneeuwstormen en dergelijke), vertrokken we dan eindelijk voor ons avontuur. HET hoogtepunt van de vijfdaagse zou het opkomst van de zon aan de mirador van de drie ‘Torres’ moeten worden. Drie gigantische ‘granietpieken’ die op het moment dat de zon vanachter de horizon rijst, prachtig oranje ingekleurd worden (juist zoals Fitz Roy). We hadden echter tweestrijdige gevoelens met dit als het ‘hoogtepunt’ van onze trip te bestempelen, omdat al de mensen die terugkwamen voor wij vetrokken de drie torres NIET gezien hadden, laat staan drie oranje torres, omdat het weer zo verschrikkelijk slecht was. Eén jongen vertelde ons dat zijn tent onder water gelopen was en alles, inclusief slaapzak, was nat geworden. Er waren natuurlijk ook nog de verhalen over muizen die voedselvoorraden aangevreten hadden of tenten die kapot gewaaid waren. We waren gewaarschuwd en een gewaarschuwd man is er… vier waard in dit geval. Met een rugzak gevuld met een tent, slaapzak (2 voor mij), matje, eten voor vijf dagen (als je instantmaaltijden a la aiki noodles en oplossoepkes en -pastas eten kunt noemen natuurlijk), kookgerei, alle warme kleding die we hadden en natuurlijk veel chocolaaaaa gingen we op weg. Voor we onze eerste stappen op de platgelopen wandelpaden konden zetten, moesten we, sterren dat we zijn, nog even een interview geven aan een Chileense tv-zender. Toen Masashi aan de beurt was en gevraagd werd wat hij van Chili vond, was zijn antwoord ‘It’s leeeelly beautifull, but … it’s TOOOO LOOOOOOONG!!!!’. Dat werd onze slagzin voor de rest van ons gezamenlijk reizen…IT’S TOOOO LOOOOOONG of ‘Everything is possible, because we aaaare….IN THE REAL PATAGONIA!!!! Hahahah! De eerste dag was de zwaarste en ik kon op het einde echt niet meer. Met ‘glaciar grey’ die er rustig bijlag aan mijn linkerkant moest ik als het ware naar boven KRUIPEN met als vooruitzicht een koude tent, maar misschien wel een warme tas thee! Aangekomen bij onze eerste kampplaats meteen de tenten opgezet tussen plekken van nu gelukkig smeltende sneeuw en eten gemaakt. Tijdens het verorberen van de heeeeeeeeeerlijke instantpasta (ironie o ironie) mochten we even proeven van de pisco sour van een groep soldaten die hier kampeerden om op de nabijgelegen gletsjer reddingsoperaties te oefenen. Lekker drankje (ik denk dat ik het ooit eens heb mogen proeven bij Tante Fried, die het na één van haar Peru-reizen had leren maken)!!! Na het eten was er niet veel meer te doen dan de tent in te kruipen en warm proberen te worden. Het was zooooooooo ijskoud dat ik zelfs met al mijn kleren (inclusief thermisch ondergoed) aan en twee slaapzakken NOG koud had! Veel aan slapen werd er door mij dus niet echt gedaan (die Birger lag wel heerlijk te ronken) en dat zou ook niet echt beteren de komende vier dagen. Je doet zo een trek natuurlijk ook niet voor de comfortablele ‘bedden’, maar voor het moois de natuur te bieden heeft. Alles wat we te zien kregen was inderdaad prachtig en ongelofelijk ongerept (je zou bijna niet geloven dat hier per jaar 400.000 bezoekers de paden platlopen)! Mijn favoriete feit was dat al het water rondom ons drinkbaar was. We vulden onze drinkflessen dus gewoon met het heerlijke, maar ijskoude water van de voorbijkabbelde riviertjes. Kan je je inbeelden dat je in België gewoon even aan de Schelde zou kunnen gaan lurken als je dorst hebt? Niet zo een goed plan als je niet in het ziekenhuis wil belanden denk ik, zelfs gewoon zwemmen in de Schelde aan St. Anneke levert mij al een enorm jeukende huid op. Gelukkig ook dat dit water zo zuiver is, want anders hadden we liters water moeten meeslepen voor te koken en te drinken en dan weet ik niet of ik nog van de partij geweest zou zijn. De tweede nacht was er iets meer ‘accommodatie’ voorhanden, een shelter (niet verwarmd hoor) met gasvoorraad. We maakten handig gebruik van het extra gas (we hadden zelf gas bij, maar enkel om te koken) om water te koken, hiermee flesjes te vullen en deze te gebruiken om onze kletsnatte kleren (we hadden een enorme plensbui gehad onderweg en onze sokken, schoenen en broeken waren doorweekt) te drogen. Ik nam achteraf ook een aantal flesjes mee in mijn slaapzak en sliep opmerkelijk beter dan de eerste nacht (tot het kokende water afgekoeld was tot ‘koude’ lichaamstemperatuur). Ondertussen was nog maar eens gebleken dat Masashi zo zot was als een achterdeur. Hij kon goed Gollem (en nee, HIER zat ik voor niks tussen) imiteren en deed zo dit stukje Patagonie een heel hoog ‘Lord Of The Rings’ gehalte krijgen. Niet alleen de landschappen deden constant denken aan de prachtige Nieuw Zeelandse ‘decors’, maar ook deze metgezel die soms zo treffende Gollemimitaties deed dat je echt meende het monstertje achter je aan te treffen als je je zou omdraaien. We waren in tof gezelschap en lachten heel wat af. We zagen drie van ‘The Patagonian Big Five’, (een Ñandu (soort struisvogel), de Andescondor en een Guanaco (trekt op lama, zie foto’s)) maar ook woody woodpecker en veel van zijn vrienden uit het vogelrijk en ongelofelijk dikke muizen. Dit is hier echt den HILTON voor die onverschrokken knagers. 400.000 toeristen per jaar, de zakken gevuld met heerlijke etenswaren uit de buitenwereld, maken dat hier geen honger wordt geleden in ‘Mouseville’. Gelukkig bleven we gespaard van muizenuitwerpsels en –bloed (blijkbaar vechten ze ook wat af in de strijd voor de beste stukjes ‘menseneten’) in onze voedselzakjes en knabbelden ze zich ook geen weg door onze tent naar een vergeten chocolade- of mueslireep, een lot dat veel andere trekkers wel te beurt viel….BAH!!!!

Na vier dagen dagen en een kleine 70 km achter de kiezen, kwamen we aan bij de laatste kampplaats. Van hieruit moest je dan nog een uur naar boven klauteren naar de mirador de los ‘torres’ om de ‘torres’ te kunnen bewonderen. We deden het tot mijn eigen verbazing TWEE keer. Waarom tot mijn verbazing? Het was echt een superzware klim. Na de hevige sneeuwval en de daaropvolgende lichte dooi in de dag en vriezen in de nacht en de vele voetstappen van de andere wandelaars was het steile pad in een ware ijspiste getransformeerd! Het was echt een hels karwei naar boven klauteren, maar de beloning maakte het natuurlijk meer dan waard. Prachtig zicht op de drie ‘torres’ heel veel geluk gehad, het was indrukwekkend. Een paar Belgen hadden vorig jaar één van de ‘torens’ beklommen. Elf dagen om vanaf de voet de top te bereiken, ELF DAGEN! ELF dagen dus in tenten niet op de ijskoude grond, maar in de ijskoude lucht, met meters ‘niets’ onder je… Die Belgen toch, wie zei ook alweer dat ze de moedigste van alle Galliërs waren? :o) Wij voelden ons de volgende dag moedig genoeg om het supergladde ‘pad’ nog eens te beklimmen en werden beloond met een nog mooier oranje zicht dan de vorige avond, al moesten we wel even wachten daar er nu ook weer wolken voor de zon zaten en we dus niet de volledige lading kregen. Zelfs hier boven in de sneeuw zaten nog muizen kruimels te sprokkelen. Het was goed geweest en ik zou het liefst mijn zapper bovengehaald hebben om mezelf naar Puerto Natales en dus een warme douche en heerlijk vers eten te zappen. We moesten echter nog een dikke drie uur wandelen naar de plaats waar de bus ons terug zou oppikken…pfffffffffffffffff!!!!!! Ik deed de glibberige weg naar beneden op mijn poep en kwam voor de eerste keer in vijf dagen ergens EERST aan! PUPLA!

Op de bus werd al meteen wat gemiste slaap ingehaald (zie foto’s)…oh zo lekker WARM!!! Terug aangekomen in Puerto Natales werd een andere primaire behoefte met veel geschmikkel bevredigd. HEEEEEEEEEEERLLIJK smeuïge pizza, verse groenten en een pintje waren na vijf dagen oploskost en rivierwater gewoonweg GODDELIJK!!!!! Na nog een nachtje in alweer een door bedbugs geïnfesteerd hostal was het tijd om naar het einde van de wereld te vertrekken. We zouden drie grensovergangen moeten doen. Eerst Chili-Argentinië, dan Argentinië-Chili en dan terug terug Chili-Argentinië. De twee buren vochten over Tierra del fuego (=vuurland) namelijk een soortgelijk gevecht als over de gletsjers en losten het geschil op door het eiland in twee te splitsen. Onze bestemming was Ushuaia en om daar te geraken moet je dus eerst terug door een stukje Chili en nemen ze zich aan de grens echt nog de moeite om voor dat klein stukje busreis door Chili weer een (iets minder strenge) voedselcontroles te doen (terwijl we die morgen toch gewoon uit Chili vertrokken waren en heel de dag op de bus gezeten hadden, ja de wet is de wet zeker, maar soms is toch alle logica zoek).

Argentinië, 8/4/2008, 16 501 km afgelegd
Taal: Spaans en Quechua in het Noordwesten van de Andes
Munteenheid: Argentijnse peso’s
Inwoners: 39 miljoen
Oppervlakte: 2,8 miljoen km²

Na al dit bureaucratish gedoe eindelijk aangekomen in Ushuaia, de Zuidelijkste stad ter wereld! Gewoon al daarom trekken veel mensen naar deze uithoek van het continent, maar dit stadje is ook wel bekend als de ‘toegangspoort’ naar Antarctica. Het zou natuurlijk aanlokkelijk geweest zijn, moest het nog seizoen geweest zijn, dus misschien maar goed dat de laatste boot juist twee weken geleden vertrokken was. Je kan hier voor een ‘luttele’ 2000 dollar een tiendaagse reis naar Antarctica boeken, wat naar het schijnt het goedkoopst ter wereld is, maar zelfs moest het mogelijk geweest zijn, niet voor ons budget weggelegd. We bleven hier een aantal dagen, rustten uit van ons hike-avontuur, bezochten een aantal eilanden om zeeleeuwen te zien bekvechten (LETTERLIJK!!!! Zie foto’s) en zetten de bloemetjes nog eens buiten. Er was hier ook een nationaal park en we voelden het een beetje als een verplichting (ik dan toch) om één van de wandelingen te doen. Ik had echter even een overdosis gehad en de wandeling was ook helemaal niet zo spectaculair, het was dringend tijd voor een grote stad en ik keek heel hard uit naar onze volgende bestemming: Buenos FUCKING Aires (zoals de stad weleens genoemd wordt). René was zijn reis begonnen in Buenos Aires met een taalcursus en na een dikke drie weken samen reizen moest ons kwartet dus gereduceerd worden door een trio. Masashi besloot van mee met ons de busreis te nemen in plaats van een vlucht. Een vlucht zou goedkoper geweest zijn, maar we hadden nog één punt op ons ‘to do’ lijstje van Patagonia staan en dat was Peninsula Valdes. Iedereen heeft weleens die prachtige National Geographic documentaires gezien waarin orka’s zich op het strand werpen om één van de ‘zonnende’ zeeleeuwen van de voor hen waarschijnlijk gigantische bbq te plukken. Deze jachttechniek wordt door de populatie orka’s rond Peninsula Valdes gebruikt en ook nog ergens door een populatie in de Indische Oceaan. Er zouden maar tien volwassen individuen ter wereld verantwoordelijk zijn voor het aanleren aan het nageslacht van deze jachttechniek. Ook magellaanse pinguïns en zeeolifanten zouden hier te bewonderen zijn. Hier werd echter wel weer echt duidelijk dat we ‘buiten seizoen’ op bezoek waren. Er waren ongeveer nog drie pinguïns over van een normaal gigantische populatie, zeven zeeolifanten die zo ver lagen dat het evengoed een aantal grote hammen konden zijn, nog redelijk wat zeeleeuwen, maar die hadden we al van dichtbij bewonderd in Ushuaia en…..GEEN ORCA’S!!!!!! Verdorie!!!!!! Er stonden twee reporters van National Geographic uitgerust met gigantische lenzen al vijf dagen te wachten om de grootste jagers van de oceanen in actie te zien dus ja wij met ons uurtje ter plaatse hadden dan wel HEEL veel geluk moeten hebben. We zagen op de terugweg in de verte walvissen, of toch een vin hier en daar en af en toe een ‘sproeier’ en ook een armadillo die was afgekomen op de gesmoste worteltjes van een aantal pick-nickende Argentijnen. De landschappen waren natuurlijk ook hier ‘mindblowing’, als ik eens een engelse term mag gebruiken. Uitgestrekt en onorigineel (altijd hetzelfde) zijn ze toch op een andere manier heel mooi. Na Puerto Madryn (een extreem ongezellig stadje) en Peninsula Valdes het vervolg van de 3600 km tussen Ushuaia en Buenos Aires voor de boeg een dikke zesentwintig uur bus nog (de vorige dag hadden we achtentwintig uur op de bus gezeten). Ondertussen waren we het natuurlijk al wel gewoon en hadden we alle mogelijke slaaphoudingen al uitgeprobeerd en de beste onthouden. Birger neemt meestal een slaappil als hulpmiddeltje, maar ik heb het nog niet ‘gewaagd’. Deze busreis zou een eind maken aan ons avontuur in ‘THE REAL PATAGONIA’. Ik had mij Patagonië altijd voorgesteld als hele woeste natuur. Op een zeker niveau is dit natuurlijk ook zo, zo ongerept en uitgestrekt het is, maar ik had mij bergtoppen à la Zwitserland of Oostenrijk voorgesteld en eigenlijk was het minder spectaculair in dat opzicht. Ja je leest het goed, Patagonië, de Andes, MINDER indrukwekkend dan de Europese Alpen????!!!!! Hmmmm eerlijk? JA! Toen ik deze statement maakte, moest zelfs René, de Zwitser, (die eigenlijk enkel naar Zuid-Amerika gekomen was voor Patagonië en dus de wandelingen, terwijl hij thuis al niks anders doet waarschijnlijk) moest toegeven dat er wel wat inzat. De pieken van de Alpen zijn gewoon grilliger en lijken veel hoger. We hebben natuurlijk lang niet alles gedaan wat Patagonië te bieden heeft, maar dan toch de hoogtepunten en voor mij blijft het absolute hoogtepunt van deze hoogtepunten de torenhoge gletsjers. Zoiets hadden we nog NOOIT gezien…yezzzz voor de laatste keer THIS WAS THE REAL PATAGONIA!!!!!!

Nu op naar DE hoofdstad van Zuid-Amerika, het Parijs van Zuid-Amerika, de ‘wereldhoofstad’ van de tango, de thuisstad van de Bocas Juniors (waar Birger het al weken over had), ooit het hoofdkwartier van supersymbool Evita en nog zoveel meer!!! Alle reizigers zijn het erover eens…Buenos Aires ROCKS!!!! En het was ook zo! Ik wou hier gewoon niet meer weg! Ik zou ook ZO KNIP mijn koffers pakken om hier een tijdje te komen werken, wonen, whatever… bedenktijd zou niet nodig zijn. Vergis je wel niet. Als je van Buenos Aires een typische latino-sfeer verwacht, dan zul je teleurgesteld worden. Ook de armoedige sfeer die je je bij een grote Zuid-Amerikaanse stad inbeeldt, hangt hier niet in de lucht. Wim vroeg mij bijvoorbeeld eerder verbaasd toen ik zei dat ik Buenos Aires (de naam alleen al…) super vond of het dan niet arm en vuil was. Dit is echt niet zo. De stad is natuurlijk vuil zoals elke grote stad vuil is, maar de prachtige hoge gebouwen met overdadige versieringen doen eerder denken aan gebouwen op de Meir of in Parijs, Barcelona, Londen,…de stad doet met andere woorden zeer Europees aan. Het beperkt zich echter niet tot de architectuur en het straatbeeld, ook de Porteños (inwoners van Buenos Aires) zelf hebben veel ‘links’ met Europa. Zo hoor je veel Duitse achternamen en zie je veel blauwe ogen en bijna blond haar, iets dat je toch ECHT niet zou verwachten in Zuid-Amerika?! Er is natuurlijk NOG een aspect van de stad dat je dan wel weer onverbiddelijk laat voelen dat je op een ander continent bent…TANGO!!!!! Het is overal! Op straat, in de cafés, in de kleding, in de muziek….gewoon in de LUCHT! In San Telmo, de wijk waar wij in een prachtig oud herenhuis verbleven, was er elke zondag een antiek/vintage markt waar wij toeristen opgingen in het zondagse leven van de Porteños. Ze probeerden een centje bij te verdienen door het verkopen van oud zilver, stolpen, juwelen, vintage kleding, zelfgemaakte sierraden, versgeperste sapjes (met heerlijke ouderwetse persmachines, zie foto’s), de populaire voetbalbloesjes van de grote teams of gewoon t-shirts met leuke opschriften, oude grammofoons, … noem maar op. Anderen probeerden het op een meer artistieke manier en deden aan straattheater of verzonnen andere creatieve manieren om een centje bij te verdienen (mijn favoriet was een koppel dat een typische straatscène uitbeeldde, een stilleven, en elke keer je een centje in hun ton legde, veranderde de scene (heel origineel, zie foto’s, en heel winstgevend denk ik, want ze hadden VEEEEEL publiek en iedereen wilde het circus wel eens in werking zetten). En dan heb je natuurlijk nog die mensen die van de tango leven. Een stuk linoleum op de stoepstenen en HUP de dansvloer is klaar. Als ze al niet gewoon een show opvoerden werden er gewoon vrijwilligers (meestal Argentijnen) uit het publiek gevraagd die dan zelf mochten kiezen wat ze wilden dansen (er zijn veel verschillende stijlen tango). Ik krijg nu al heimwee als ik het allemaal beschrijf, ik vond het gewoon geweldig! We gingen ook naar een tango show, waar het natuurlijk veel glitter en glamour was, maar waar voor mij de charme van de ‘straattango’ ontbrak (tango zou trouwens ontstaan zijn in de rosse buurten van Buenos Aires en een middel zijn geweest zijn waaraan de mannen een ‘meisje’ kozen). Birger liet hier zijn kapsel onder handen nemen en had de eerste dagen net hetzelfde gevoel als ik in Chili (ik voel mij just een geplukt kieken, hahha!). We dronken ook de duurste capucciono ooit om te kunnen genieten van het zicht vanop het dak van één of ander duur hotel en gingen twee keer naar een optreden van La bomba del tiempo, een percussiespektakel in een leegstaande loods...niet normaal opzwepend!

De eerste avond al gingen we met een meisje van ons hostal (die tango aan het leren was) naar een ‘milonga’ (een plaats waar de Argentijnen komen om tango te dansen, zoals een discotheek, maar dan enkel met tangomuziek en tangodans) we gingen ook eten in een sushirestaurant, omdat we na al Masashi’s ‘cravings’ naar Japans eten, er zelf OOK heel erg zin in hadden gekregen. Voor Birger was het de eerste keer en hij was er ook weg van! Toen ik zei dat ik het zo spijtig vond dat we het niet zelf konden maken, beloofde Masashi mij dat hij mij zou leren hoe je sushi moet maken, en hij hield zijn woord. We gingen een dag de deur uit richting China- en Korea town en kochten daar alle nodige ingrediënten voor een waar (duur) sushifestijn! We nodigden ook Corneel (een Gentenaar die ik kende van Erasmus in Sevilla en hier (gelukzak!!!!) twee jaar extra kwam studeren in Buenos Aires) en zijn nieuwe Colombiaanse aanwinst uit in ons hostal. Ook Kaja, een Noors meisje dat we hadden leren kennen, nam deel aan het eetfestijn en zo hadden we een heerlijke avond met heerlijk eten….en nu kennen we dus alle geheimen van de edele sushikunst! YESSSSS!!!! Birger liet hier zijn kapsel onder handen nemen en had de eerste dagen net hetzelfde gevoel als ik in Chili (ik voel mij just een geplukt kieken, hahha!). We dronken ook de duurste capucciono ooit om te kunnen genieten van het zicht op de stad vanop het dakterras van één of ander duur hotel en gingen twee keer naar een optreden van La bomba del tiempo, een percussiespektakel in een leegstaande loods...niet normaal opzwepend!
Eén van de dingen waar BIrger ook al weken over bezig was, was een voetbalmatch van de Bocas Juniors. We hoorden dat tien dagen na onze aankomst de ‘Superclasico’ zou plaatsvinden. De derby tussen twee zeer rivaliserende ploegen van Buenos Aires: River Plate en Bocas. De tickets zouden wel heel duur gaan worden, want deze match heeft de reputatie de meest beladen voetbalmatch te zijn in heel Zuid-Amerika. JAWEL in heel ZUID-AMERIKA! Dit konden we dan toch echt niet missen!!! De hostal eigenaar, Oscar, waarschuwde ons echter wel dat de prijzen torenhoog zouden gaan en dat er kans was dat we geen ticket zouden vinden. Ik vond het geweldig, want onder dit mom van te wachten tot de match (iets dat BIrger echt heel hard wou) zouden we toch zeker twee weken in Buenos Aires kunnen blijven (iets dat ik heel graag wou). We wachtten en wachtten op nieuws over tickets tot de dag voor de match en Oscar had nog altijd geen tickets kunnen bemachtigen. Die dag kwam er echter een kerel langs het hostal die zijn tickets (zijn abonnementstickets) verkocht voor 400 peso’s (ongeveer 80 euro per ticket). We hadden afgesproken dat het maximum bedrag dat we zouden betalen 300 peso’s per ticket zou zijn. Nu die kerel hier echter stond met de tickets waar we eigenlijk al tien dagen op aan het wachten waren, konden we eigenlijk gewoon geen nee zeggen. Het feit dat Birger hier ook al twee maanden over bezig was, deed mij ook sneller de knoop doorhakken. We besloten dus maar van JA deze kerel heel gelukkig te maken en onszelf de trotse eigenaars te maken van twee tickets voor ‘El Superclasico’. De volgende dag was het al zover en Birger durfde zijn partijdigheid (boca’s speelde thuis, dus we zaten tussen blauw/geel) op geen enkele manier te laten blijken. AL het geld en de goede camera bleven thuis (niet meer dan logisch) en ik kreeg instructies van meneer Birger van toch maar mijn blonde haar onder mijn kap te verbergen, het zou maar eens provocatief kunnen werken (een beetje overdreven)….hahaha (het was van onze allereerste reisdag in Mexico City geleden dat hij dit nog eens gezegd had)! De schrik was achteraf gezien een beetje overdreven…Er heerste een goede sfeer in de straten van de Boca-wijk (havenwijk met heel veel gekleurde huisjes, zie foto’s). De supporters van beide teams werden duidelijk apart gehouden en ik heb mij geen moment onveilig gevoeld. Het grootste spektakel kregen we te zien voor en na de match (de match ZELF was trouwens niet zoooooo heel goed). Ik mag het nog eens zeggen, ZOIETS HEB IK NOG NOOIT GEZIEN!!!!! Een orgie van gezangen, krantenconfetti, blauwe en gele rookbommen, wimpels, ENORME (als ik 40 op 10 meter zeg, overdrijf ik niet) supportersvlaggen, gespring, geroep, gevloek (we hebben hier onze scheldwoordenlijst in het Spaans enorm kunnen uitbreiden),….en NA de match (1-0 voor Boca) natuurlijk de hete woede van de River Plate supporters die boven ons zaten (braken de plastic stoeltjes van de beton en probeerden Boca supporters te raken die onder hen met stralend lachende uitdagende dansjes deden (er werd één supporter geraakt in het gezicht die meteen hard begon te bloeden). Er ontplofte zelfs een redelijke grote ‘bom’ die één van de River Plate supporters dus toch door de redelijk strenge controle naar binnen had weten te smokkelen. Tijdens de match zelf werd er trouwens constant van daar boven naar beneden gerocheld, met dozen gesmeten en zelfs GEPIST (als ik het lelijk mag zeggen!). Het was echt wel het geld waard en ik ben blij dat ik het heb meegemaakt, ja en over Birger moet ik natuurlijk niet zeggen wat hij ervan vond….waarschijnlijk één van de beste ervaringen van heel onze reis voor hem, de sportGEK! :o)

Masashi die oorspronkelijk MAAR vier of vijf dagen in Buenos Aires zou blijven, was hier nu ondertussen al twaalf dagen…het werd nu echt tijd om afscheid te nemen. Masashi zou naar Brazilië trekken en daarna naar Europa vliegen (oeioeioeioeioei dat zou pijn gaan doen in de portefeuille) en wij moesten nu maar eens richting Bolivia beginnen trekken. Er was natuurlijk nog veel Argentijns grondgebied onverkend en we zouden dus nog één stop doen in Salta, maar dan zou het onverbiddelijk gedaan zijn met het mooie Argentijnse Spaans (Birger was ondertussen al het accent beginnen overnemen) en de alomtegenwoordige maté cultuur. We zouden Argentinië inruilen voor Bolivië en dat staat nu in mijn top drie (ondertussen al op 1 denk ik) van favoriete landen, maar dat wist ik toen natuurlijk nog niet. In Salta deden we een dagtour en werden voor de eerste keer tot (letterlijk) ‘headthumping hights’ (4770 m) gebracht. We kregen ook voor de eerste keer een zakje cocabladeren aangeboden om de symptomen van hoogteziekte te verminderen. Even voor alle mensen die de opmerking al gemaakt hebben dat we als drugsverslaafden gaan terugkomen: JA cocaïne wordt via een chemisch proces gemaakt van deze blaadjes, MAAR de blaadjes ZELF (dus in de chemisch ongemodificeerde toestand) zijn geen drug en dus NIET verslavend. De alkaloïden die vrijkomen door een paar gedroogde blaadjes gelijk een hamster in je kaak te steken zorgen er gewoon voor dat zuurstof (die op zulke hoogtes minder voorradig is) beter opgenomen wordt in je bloed. VOILA! Das ook weeral rechtgezet! Na een eerste kennismaking met het effect van bijna 5000 m op ons lichaam stapten we de volgende dag op de bus naar San Pedro de Atacama, voor de laatste keer de grensovergang Argentinië-Chili (we hebben die overgang in het totaal zeven keer gedaan, onze paspoorten zijn er het kleurige bewijs van!). Dus ook (hopelijk!) voor de laatste keer onze rugzak uitladen en een grensbeamte laten controleren of er tussen al die rommel geen schaap (of dergelijke) verstopt zit…GRRRRRRRR. Het was de mooiste busreis tot dan toe, maar de hoogte had mij te pakken. Ik voelde mij echt niet goed en kon dus de helft van de tijd niet van de PRACHTIGE uitzichten genieten. WAUW! WOESTIJN! WOESTIJN, WOESTIJN! maar op een gans andere manier dan in Patagonia. Woestijn zoals in de Jommekes albums!!!! Haha! Gigantische zandduinen door de wind gekneed in steeds veranderende vormen, afgewisseld met prachtige rotsformaties en overal ongelofelijke kleurschakeringen! Ineens was het echter gedaan met de kleuren en was alles WIT, WIT, WIT zo ver je kon kijken, we reden door een zoutvlakte, ongelofelijk !!!! (ik zal hier nog op terugkomen in het hoofdstuk BOLIVIE).

Chili, 15/5/2008, 22 482km afgelegd
Taal: Spaans, Mapudungun en Rapanui
Munteenheid: Chileense peso’s
Inwoners: 16 miljoen
Oppervlakte: Oppervlakte: 748 000 km² land, 8150 km² water en 6435 km kustlijn

In San Pedro de Atacama huurden we fietsen en twee ‘sandboards’ en gingen een namiddagje ‘zandboarden’ in de woestijn. We moesten eerst een uurtje rijden met de fiets om op deze verrukkelijk mooie plek in het midden van de woestijn aan te komen waar de stilte gewoon oorverdovend is! NIKS NIKS NIKS hoor je hier, maar dan echt NIKS, het is echt muisstil! Het sandboarden zelf was niet echt spannend (nogal traag, veel meer weerstand dan sneeuw natuurlijk), maar de zichten en bijhorende stilte die je er gratis bij kreeg van boven op die zandreuzen waren gewoon psychedelisch (zie foto’s). Ik was na een dag toch wel een beetje gewoon aan de hoogte (Birger had totaal geen last) en voelde me een stuk beter. We boekten hier driedaagse tour naar Bolivië met als hoogtepunt de grootste zoutvlaktes ter wereld en nog meer moois, maar dit is voor een volgend hoofdstuk(je)….wroeten jullie je eerst hier maar door!!!!

Dikke kussen vanuit La Paz! Bedankt voor alle verjaardagswensen (zo heb ik iedereen ineens!), en ik zal mijn best doen om het volgend hoofdstuk minder lang op zich te laten wachten (ik vind het hier heerlijk, dus heb meer inspiratie!)

Sophie en Birgir (nieuwe versie van Scandinaven, die blijkbaar wel Birgir als naam hebben, maar niet Birger)

donderdag 20 maart 2008

Pirates of the Caribbean

Costa Rica, 29/1/2008, 4687 km afgelegd
Taal: Spaans en Engels
Munteenheid: Colones
Inwoners: 4,1 miljoen
Oppervlakte: 51 100 km²

Costa Rica binnenrijden vanuit Nicaragua; het ene moment sta je in het armste land van Centraal-Amerika (zelfs 1 van de armste landen ter wereld) en hop een paar stempels extra in je paspoort en je staat in het rijkste. Grenzen stellen normaal niet veel meer voor dan een strakke lijn die getrokken wordt over de eerder ‘floue’ overgang die het overvloeien van het ene in het andere land karakteriseert. Hier is die lijn echter wel degelijk een duidelijke grens. Normaal word je aan de grensovergangen overvallen door zwermen locals die je op hun kar willen krijgen (dat weten jullie ook wel uit vorige edities) en ook al is dit soms heel irritant ondervonden we dat het totaal ontbreken van die zwerm misschien nog veel irritanter is. Géén chickenbussen, géén mini-busjes, géén opdringerige mannen die zonder vragen je rugzak al op hun bus leggen,… ZOEK HET ZELF MAAR UIT…hmmm tja een leeg loket waar we verondersteld werden een ticketje te kopen al gaf iedereen ons tegensprekende informatie. We zagen in de verte echter een vertrouwde chickenbus staan en dachten dus ons goedkoop en simpel vervoer gevonden te hebben, MIS POES! We moesten wachten tot de bus vol zat en daar ze achteraf gezien blijkbaar evenveel vroegen als de normale bussen, duurde dat heeeeel lang. Het was ondertussen echter pijpenstelen beginnen regenen we hadden weinig zin om onze zakken die we eindelijk van onze pijnlijke ruggen hadden kunnen gooien terug aan te gespen om vervolgens uitgeregend te worden. Wachten was dus de boodschap, geduld is een mooie deugd…en onmisbaar als je voor een jaar rondreist in laat ons zeggen ‘siesta-lievende’ landen. Uiteindelijk vertrok de bus naar Liberia waar we vervolgens een ticketje naar Tamarindo kochten aan een loket uitgerust met ultramoderne computers met touchscreen en daarna braaf één voor één in een mooie rij op de bus mochten stappen. Wat een wereld van verschil met de improvisoire ticketjes van Nicaragua en het duwen en trekken voor een plaatsje. Ook op de weg een duidelijk verschil: geen afvalbermen langs de weg de leuze van Costa Rica is niet voor niets ‘Costa Rica, Pura Vida’. Onze bestemming voor die grensoverschrijdende dag was Tamarindo, een stadje aan de Pacific Coast, populair bij surfers en zoals we bij aankomst meteen ondervonden…AMERICANOS! De naam ‘Tamagringo’ zou het stadje niet misstaan. Eigenlijk bestaat het dorpje gewoon uit een winkelstraat volgepropt met chique boutiques en surfverhuurshops allemaal zonder uitzondering uitgebaat door buitenlanders (zelfs Belgen!). We vonden het niet meteen hartverwarmend, maar het stadje groeide wel op ons, of de omringende stranden dan toch tenminste. Birgers hoofdwond was inmiddels tot litteken gereduceerd, dus we beproefden ons geluk nog maar eens en huurden een surfboard bij een landgenoot. In Nicaragua was er na het bloederige voorval niet veel meer van surfen in huis gekomen. De golven waren hier veel minder hoog en Birger was in het begin erg teleurgesteld ‘Alééééé da zijn hier kei kleine golven!’. De praktijk leerde echter dat deze kleine golfkes perfect waren voor ons beginners. Toen we het surfboard de volgende dag inleverden, vond Meneer Birger het een goed plan van naar een zeer populair surfstrand, ‘Little Hawai’ genoemd, te wandelen. Hij had op een kaartje gezien dat hat niet zo ver was, dus ik stemde in. Toen we na ettelijke uren uitgedorst en roodverbrand (desondanks verwoedde insmeerbeurten) nog altijd niet aangekomen waren aan het voor mij toen al vervloekte strand werd duidelijk dat ze op het (zelfgetekende!!!) plannetje met de verhoudingen gesjoemeld hadden om alles op het bord te krijgen (GROMPFFFFF!). Na een verfrissende plons en een al even verfrissend pintje zag het strand er inderdaad wel heel mooi uit en de mascotte van het strand, LOLA een negenjarige GIGANTISCHE zeug, werkte op de lachspieren toen ze ongegeneerd een ‘plaske’ (lees overstromingsgevaar) kwam doen op een paar meter van onze handdoek (zie foto), Spider Pig, Spider Pig!!!! We hielden het een paar dagen uit in Tamarindo en maakten de dure overnachtingen in het goedkoopste hostal dat we konden vinden goed door elke avond zelf te koken.


Tortuguero, een stadje in één van de nationale parken van Costa RIca bekend voor de zeeschildpadden die hier op het strand hun eieren komen leggen, stond niet op het programma van ons bezoek (mijn ouders) die een week later zouden arriveren. Omdat dit wel op ONS ‘to do’ lijstje in Costa Rica stond, namen we na enkele dagen Tamarindo de bus richting San José om vandaaruit een excursie te kunnen doen naar dit schildpaddenparadijs. Zeven uur bus later zetten we voet aan grond in San José. Een wandeling bracht meteen aan het licht dat deze stad ondanks de titel ‘Capital de Costa Rica’ geen charmes te bieden heeft. We wandelden naar het ‘aangenaamste park’ (volgens de Lonely Planet) van de stad en daarmee was meteen de toon gezet daar dit het zieligste parkske was dat ik ooit al gezien heb. We genoten dus maar van de faciliteiten van ons hostal (restaurant, bar en disco op het dak met zicht op de stad, gratis onbeperkt internet en een zwembad) tot we twee dagen later naar Tortuguero vertrokken. Toen we de bewuste ochtend om zes uur klaar stonden om door de bus opgepikt te worden, moesten we wel even onze lach inhouden. Het busje (een luxe-exemplaar met grote, hoge ramen en een uitstekend werkende airconditioning à dit zijn we NIET gewoon) zat vol met gepensioneerde Canadezen en Amerikanen uitgerust met fotocamera’s, verrekijkers, de typische toeristenvissershoedjes, t-shirts met het opschriften à la ‘Costa Rica, Pura Vida!’ en LAST BUT NOT LEAST sandalen met witte sokken…OH JAWEL! Halverwege begon één van die Amerikanen al ‘van zijnen tak te maken’ (om het op zijn Antwerps te zeggen). De gids vroeg of we geïnteresseerd waren in een bezoek aan een botanische tuin op de weg en hij antwoordde botweg naast haar vraag ‘ik wil de bananenplantage bezoeken!’. Toen bleek dat we de plantage zelf niet konden bezoeken vanwege de veiligheid (er vliegen constant vliegtuigen over die de plantages besproeien met pesticiden), maar er wel zouden stoppen, vloog hij uit dat hij de tour ENKEL en ALLEEN geboekt had voor het bezoek aan de bananenplantage van Chiquita die ze hem beloofd hadden!!! Toen hij uiteindelijk stopte met razen, heerste er een pijnlijke stilte in de bus. De gidse die vooraf gedetermineerd bleek te zijn om tof en grappig gevonden te worden (fooi, fooi en nog eens fooi) was ineens opvallend stil (daar ging de fooi). Na een uurtje stopten we inderdaad bij de plantage en kregen we een korte rondleiding, maar mochten we gewoon niet te diep in de aanplantingen wandelen. Blijkbaar was de Yankee toch tevreden en bood zelfs zijn excuses aan de gidse aan, die meteen haar queeste naar fooi hervatte door het maken van flauwe grapjes en het stellen van nogal schoolreis-achtige vragen, Brrrrrrr. We reden na deze stop langs kilometers en kilometers bananenplantage (nu weten we waar onze chiquitas vandaan komen) en kwamen uiteindelijk aan bij het haventje vanwaar een bootje ons naar Tortuguero zou brengen. Het dorp ligt op een landengte tussen de Caribische Zee en één van de vele natuurlijke kanalen die het natuurreservaat rijk is, is omsloten door natuurreservaat en bijgevolg enkel per boot bereikbaar. Dit zorgt voor grappige taferelen zoals bevoorradingsboten die volgeladen met WC-rollen door de jungle varen. We werden verdeeld over verschillende hotels naargelang de prijs die we betaald hadden (wij het allergoedkoopste en bijgevolg als enigen in onze categorie met het enige andere niet-gepensioneerde koppel). Het werd een eenvoudige maar gezellige guest house waar een typische Caribische sfeer hing. De dochtertjes van de eigenaars hadden een niet zo aangename (nogal pijnlijke) interesse in mijn haar (zie foto). We bleven hier twee nachten en deden een aantal excursies in het natuurgebied (te voet en per boot) en zagen heel veel wildlife, van Jezus Christ Lizards (die kunnen over het water lopen, vandaar hun naam) tot luiaards, pijlgifkikkers, blauwe krabben, ‘army-ants’, leguanen, apen, tarantullas (!!!!), schildpadden (al was het geen broedseizoen en zagen we dus geen schildpadden eieren leggen op het strand), kaaimannen, toekans en ontelbaar veel verschillende watervogels. Krokodillen kregen we niet te zien, maar dat zou een paar dagen laten griezelig goed goedgemaakt worden. Toen we na een eerste uitstap een ‘zwemmetje’ gingen doen in de Zee (die overigens heel wild was) werden we uit het water geroepen door een local die ons waarschuwde voor verraderlijke stromingen en voor het feit dat er ‘BULLSHARKS’ zaten (SLIK!). Had ik mij eindelijk een beetje over mijn ietsiepietsie overdreven angst voor haaien gezet (al ken ik ergere gevallen :o) ) en dan noemen ze mij bijna roekeloos omdat ik tot iets boven mijn middel in de Zee ga (Birger zat wel wat dieper), ASJEMENOU! Tortuguero is omgeven dus door water, maar langs de ene kant loeren de krokodillen en langs de andere kant de haaien, veel aan zwemmen wordt er hier in deze ‘water world’ ironisch genoeg dus niet gedaan. Na een toffe driedaagse terug boot en bus richting San José waar om drie uur mijn ouders zouden landen.




De taxi bracht ons van ons hostal (waar we onze bagage hadden achtergelaten) naar het eerste hotel in maanden. We werden door mijn witte ouders bewonderd voor ons bruin vel (héhéhé) en genoten van een gezellig maar kort eerste avondmaal omdat ze heel moe waren van de lange vlucht. De volgende ochtend onze blinkende 4x4 opgepikt die de komende twee weken wel degelijk van pas zou komen (tot grote vreugde van een stralende papa :o) . Voor een keer moesten we eens niet zelf uitzoeken waar we naartoe zouden trekken, er was goed over nagedacht en veel over gelezen en de eerste kant en klare bestemming was Quepos. Terug naar de Pacific Coast dus, waar het nu droog seizoen was en dus een dorre stoffige bedoening in vergelijking met de groene, weelderige Caraïben. Ze hadden een vouchersysteem gekozen en ik moest dus eerst altijd bellen naar het gekozen hotel om te reserveren en dan volgden we de wegbeschrijving naar het gekozen hotel waar we dan betaalden met de vouchers. De wegbeschrijving naar ons eerste hotel vermeldde een ‘beruchte brug’ van waarop je krokodillen zou kunnen zien liggen zonnen in de rivier eronder. Eerst zien en dan geloven dachten wij. Na de loze belofte krokodillen te zien in Tortuguero hadden wij niet meer veel geloof in het zien van zulke uitzonderingen voor gelukzakken (of ongelukzakken, afhankelijk van de situatie ;o) . Verschoten wij ons daar even een bult toen we vanop het zeer smalle voetpadje van de brug, waar vrachtwagens en auto’s over SCHEURDEN, in de dieperik meer dan twintig MONSTERS zagen liggen. Deze beesten waren precies weggekropen uit National Geographic documentaires waarin je opengesperde monsterlijke muilen uit het water ziet opreizen en zich vervolgens ziet sluiten rond de hals van de dichtstbijzijnde ongelukkige Gnoe. We vroegen ons terecht af waarom die krokodillen er zo dikdoorvoed uitzagen en allemaal juist onder die brug lagen. Misschien zat het ‘Restaurante Cocodrilos’ naast de brug er voor iets tussen, een verklaring die ik liever wil aannemen dan de veronderstelling dat er te pas en te onpas wel eens iemand over de akelig lage reling zijn evenwicht verliest en die krokodillen gewoon VEEL geduld hebben…BRRRRRRRRRRRR!!!! Het was wel een raar contrast deze koelbloedige wilde dieren onder een druk bereden brug terwijl wij in de oase van rust van het natuurreservaat Tortuguero, waar in de verste verte geen auto te bespeuren valt, enkel een babykrokodil te zien kregen. Mijn ouders waren meteen gerustgesteld door de zinderende hitte op de krokodillenbrug. We hadden ze toch wat ongeruste blikken zien uitwisselen over de temperatuur in San José (dat op een tweeduizendtal meter ligt) en ons precies niet echt geloofden toen we zeiden dat het aan de kust niet te doen was van de hitte. ’s Middags stopten we bij een chique hotel waar we lunchten en een prachtig zicht hadden op de tropische jungle die zich vanaf onze voeten uitstrekte tot aan het azuurblauwe water van de Pacifische Oceaan. We genoten hier van een heeeeeerlijke lunch en ik en Birger waren verbaasd dat het eigenlijk helemaal niet zo duur is om in zo’n duur hotel als niet-gast te lunchen, iets dat we zeker moeten onthouden. Na nog een uurtje of twee rijden kwamen we aan in ons hotel en genoten meteen van de luxe van een zwembad, al was het water van het zwembad zo warm (echt badtemperatuur), dat het niet echt verfrissend meer was. We reden nog wat rond op bergachtige weggetjes in de buurt en vonden een zalig barretje om van de zonsondergang te genieten en waar ‘Piña Colada’ gedoopt werd als de cocktail van dit verlof. We vonden op de weg ook een wegwijzer naar een hotel dat in de brochure stond en bovendien zicht op de Oceaan had, dus we boekten dit voor de volgende avond en legden meteen ook een vistrip vast. We vermoeden dat de overvriendelijke bazin van dit hotel een deel van het bedrag dat ze ons vroeg voor de trip in haar eigen zak stak, maar kom…het werd een geweldige dag! Niet alleen het plezier van met een motorboot langs de prachtige kust te varen, maar dan daadwerkelijk ettelijke vissen te vangen (Jacks, Needlefishes en Makreel) en achteraf trots onze vangst te mogen meenemen, was echt SUPER! Op de koop toe zwommen er in het terugvaren enkele dolfijnen een eindje mee met de boot wat het helemaal AF maakte. Weer een vinkje meer op onze lijst van gespotte dieren. We vingen ettelijke Makrelen en namen er drie mee terug naar ons hotel in de hoop dat ze die voor ons zouden willen klaarmaken. Ons mama moest zich bedwingen om niet te vragen of ze ze zelf mocht klaarmaken. Ze maakten ceviche (een heerlijke viscocktail met ajuin, limoen, tomaat en paprika) en daarna nog een voorgerechtje waarop dan nog een schotel volgde die ik echt helemaal niet meer opkreeg, maar het was wel lekker, en heel VERS! De volgende dag moesten we een behoorlijke afstand afleggen over kiezelweg, dus besloten we de mangroves van het nationaal park te laten voor wat ze waren en meteen door te rijden naar Sierpes. Het volgende hotelletje was een heel persoonlijk hotel uitgebaat door een Italiaan en zijn Costaricaanse vrouw. Toen we de laatste wegwijzer volgden naar Hotel Veragua kwamen we tot stilstand voor een wel heel smal bruggetje. Ik zei: ‘ja die pijl staat hier niet voor niks, we moeten erover’ wat een lachsalvo van de andere drie tot gevolg had. ‘Alé SOPHIE! Daar kunde toch niet overrijden met een auto, wa zégde gij nu, dat is een voetgangersbruggetje!!!’ Na drie kwartier vruchteloos rondgereden te hebben, moesten ze mij dus toch gelijk geven toen mama en ik (terwijl Birger en papa op prospectie waren en zo doende bijna levend werden opengereten door een woeste Rottweiler) een grote pick-up over het krakkemikkige brugje zagen rijden. Ik moest toegeven dat het er niet erg aanlokkelijk uitzag en vooral niet erg gezond klonk. KRIIIIIIIEEEEEEUUUUUUUEEEEIIIIIIWP!!!!! We moesten er echter over om bij ons hotel te geraken dus kroop papa moedig achter het stuur (terwijl wij wijselijk uitstapten) voor de hachelijke oversteek. De brug zakte gevaarlijk hard door en maakte een vreselijk geluid, maar de auto inclusief papa kwamen heelhuids aan de overkant aan. Bij het hotel aangekomen vertelden ze ons dat de overheid al jaren een nieuwe brug beloofde, maar dat het er nooit van kwam. Waarschijnlijk moest er eerst ECHT iemand met auto en al door die brug zakken voordat er daadwerkelijk werk van werd gemaakt….typisch! We konden na het middageten meteen een tocht maken op de riviertjes met een bootje en een plaatselijke gids. Het deed ons een beetje denken aan Tortuguero, maar de gids was veel beter en we zagen zo mogelijk nog meer moois. Hij liet ons zelf een Boa Constrictor zien die ergens in een tak boven het water lag te snoezen…Toen we na enkele heerlijke uurtjes terug voor de deur van ons hotel (dat naast de rivier lag) werden afgezet, stonden de zelfgemaakte pizza’s al klaar om in de houtvuuroven gestoken te worden…LA VITA È BELLA! De volgende dag zouden we doorsteken naar de Caribische kust, maar eerst nog een overnachting doen in het binnenland in Siquieres. Viel dat even tegen! We reden eerst door mistwouden waar de regenbuien ons toch wel een beetje TE hard aan België deden denken en toen we aankwamen bij het hotel dat we gereserveerd hadden, viel dit DIK tegen. We besloten hier te lunchen en ons niet kenbaar te maken en ik moest dan achteraf onder aanstekelijk irritant gegrinnik van de andere drie bellen om mee te delen dat we er niet geraakten door het weer (terwijl we er juist gegeten hadden) en maar hopen dat die man mijn stem niet zou herkennen. Het alternatief was een 5-sterren SPA hotel, klonk goed, maar hoe titels toch kunnen misleiden. Het hotel was zo ongezellig en onderkomen dat we die avond gewoon in een goedkope plaatselijke pizzeria gingen eten. Achteraf gezien was de eerste keuze misschien toch nog beter geweest. De volgende dag besloten we dus maar heel vroeg te vertrekken en door te steken naar de Caribische kust. Terug naar de hitte! Jippie! We reden helemaal tot in Puerto VIejo de Talamanca en konden hier kiezen uit een hele reeks hotelletjes waarvan er velen spijtig genoeg vol zaten. We vonden uiteindelijk toch plaats in een charmant hotelcomplex waar je in plaats van een kamer een huisje kreeg met terras, keukentje,… Hier waren we weer in een echt Caribisch surfparadijs aangekomen en we speelden in de golven totdat we overwoekerd waren met zeewier. Ik kreeg hier bijna mijn gedroomd wit strand met overhangende palmbomen en turkoois water, het kwam heel dicht in de buurt… We bleven hier nog een dag extra en bezochten een mangrove die we spijtig genoeg niet met bootje konden bezichtigen omdat het hoogtij was. Prachtige ongerepte natuur vlakbij de grens met Panama. Onze volgende plannen werden serieus in de war gestuurd door het weer. We zouden de jungle in het binnenland inrijden en gaan raften e.d., maar het weer aan de Caribische kust werd zo slecht dat de enige goede keuze leek van terug door te steken naar de Pacific Coast naar het schiereiland Nicoya. We reden een hele dag door (en een keer verkeerd en toen zakte papa met zijn been door een brug, hihi) om het slechte weer te omzeilen en toen we dan uiteindelijk dachten dat we aangekomen waren en onze Piña Colada al konden ruiken, bleek dat we in het verkeerde dorp zaten en nog eens 45 km in den donkere over een stoffige putrijke hobbelweg moesten waarop ons mama constant dacht dat we fout gereden waren. Dit gevoel werd nog eens versterkt toen de weg ineens stopte en overging in een rivier. Toen we (Birger en ik) zeiden dat we erdoor moesten, kwam er luid protest van ons mama (Nee Paul, we draaien nu terug, NU!!!!). Er kwam (gelukkig) juist een andere auto aan die vlotjes door het water reed, dus werd er een kinderlijke glimlach op onze papa zijn snuit getoverd toen hij ten volle van zijn 4x4 kon genieten (en wat hij met zijn eigen auto nooit zou durven). Na nog een aantal riviertjes overgestoken te zijn, kwamen we dan uiteindelijk aan in….PARADIJS onder de schuilnaam ‘Casa Caletas’! Dit werd het zaligste plekje van deze veertiendaagse. Een prachtig hotelletje met overlopend zwembad, openluchtrestaurant en zicht op de zee (zie foto’s). Het was hier zo rustig en zo heerlijk warm…het slechte weer en de lange rit waren meteen vergeten, zeker na een Piña Colada of twee! We bleven hier twee dagen en gingen onder andere oceaan kajakken wat hilaaaaaaarisch grappig bleek te zijn. Echt peddelen, peddelen en nog is peddelen en hop je kajak-surfte op de golven, zo snel dat dat ging!!! Ik wist echt niet dat dit zo tof was en ons mam en pap zien klungelen in hun boot maakte het allemaal nog veel grappiger. De tweede dag maakten we een uitstapje naar Samara en werden we voor de eerste keer bestolen. Wel door eigen dommerikkenheid, want de auto was per ongeluk niet afgesloten en ons mama haar rugzak was bijgevolg FOETSJIE! De 4x4 werd nog eens getest toen ons papa zichzelf tijdens het achteruitrijden nogal onhandig in een goot manoeuvreerde, maar zich er achteraf ook handig terug uitmanoeuvreerde (trotse snuit), ik vraag me stiekem af of hij het niet express gedaan had :o). Na een drie nachten in dit paradijselijk hotelletje, gepakt en gezakt richting Monteverde. Op weg hier naartoe dacht iemand blijkbaar dat de weg verlaten genoeg was om een plasje te doen in het midden van de weg tot er toch wel een tegenligger kwam zeker, die broek was RAP terug naar boven!!! Hilariteit alom! In Monteverde stond heel wat Ecotoerisme op het programma zoals een Canopy tour, Hanging Bridges en een nachtwandeling. De Canopy tour was honderd keer leuker als in Honduras en had als extra de ‘TARZAN SWING’…de naam zegt genoeg; je sprong van een platform en zwierde dan aan een koord in Tarzan style heen weer tussen de bomen. Dit was echt HEEEL grappig, vooral toen de mannen er niet in slaagden onze papa zijn voeten te vangen om hem te doen stoppen en ons mama haar gezicht voor ze sprong (doodsangst)! Hahahaha! Goed gelachen! Op de nachtwandeling zagen we zo verrassend veel dieren op een klein stukje bos (wasberen, vossen, luiaarden,…), dat we de gids ervan verdachten eten neergelegd te hebben of dat er iemand achter de bomen opeenvolgend een aantal kooien opendeed en dat het daarom een ‘nachtwandeling’ was. We zagen ook weer een heel harig tarantulla exemplaar (zie foto) dat ik niet graag alleen in den donkere zou tegenkomen. Ik reis in sneltempo (want ik moet nog ZOVEEL vertellen) door naar Lago de Arenal waar we onze papa zijn verjaardag vierden en getrakteerd werden op een gigantische plensbui die ons scheidde van het restaurant. De jarige vond er niet beter op om zijn kleren onder mijn regenjas te steken en in zijn zwembroek naar het restaurant te lopen (zie foto). Een gezellig verjaardagsavondje aan het haardvuur, een aantal cadeautjes en een flesje wijn en de avond was weer geslaagd. We hadden vanop ons terras een mooi zicht op het meer (al kon je vulkaan Arenal niet zien liggen, omdat het bewolkt was) en Birger kreeg hier van de kapper van huize Roelants een haarknipbeurt met het beste zicht ooit (zie foto). We hoopten dat het weer de volgende dag beter zou zijn, omdat we ons mama haar favoriete highlight op het programma hadden staan: Vulkaan Arenal. Daar de actieve vulkaan constant brokstukken uitspuwt, kan je hem niet beklimmen, maar wel wandelingen maken rond zijn voet en zijn gloeiende top bewonderen. Op weg naar La Fortuna, het dorpje aan de voet van de Arenal, verschoten we ons te pletter toen we voor onze neus een oplegger van een vrachtwagen zagen omkrakken waardoor de ganse weg met kiezelstenen bezaaid werd. Ons mama begon al meteen ijverig met een schep kiezelstenen in de plassen langs de weg te gooien zodat we langs daar door zouden kunnen rijden (grappig). Een galante man (niet onze papa :o) ontfutselde haar al gauw de schep en een klein halfuurtje later waren we weer ‘on the road’ om na de eerstvolgende bocht al terug te stoppen voor een familie schattige diertjes die langs de weg zaten. Ze trokken op wasberen, maar ik herinner mij de correcte naam niet meer (zie foto’s). Die beestjes hadden geroken dat we chips aan het eten waren en gingen allemaal elkaar staan verdringen op hun achterste pootjes en klommen zelfs op mijn benen om bij het eten te geraken (wat me enkele diepe krabben opleverde), echt suuuupergrappig. Terug onderweg bleek dat wat we gevreesd hadden, bevestigd werd: het meeste dat we te zien kregen van Vulkaan Arenal was zijn voet (zie foto van berg in de wolken). Niet echt spectaculair, maar niks aan te doen. We profiteerden dan maar van het zwembad, maakten een rondritje in de buurt en een wandeling. De volgende dag dachten we nog naar enkele vulkaankraters te gaan kijken, maar daar verwittigden ze ons aan de inkom al dat boven alles in de mist zat…weer niks dus! We hebben die twee weken echt pech gehad met het weer, terwijl wij eigenlijk nog geen slecht weer gehad hadden. Het was desondanks een schitterende 14-daagse waarin we veel gezien hebben en ook veel hebben gelachen. Het was helemaal anders dan alles wat we tot dan toe gedaan hadden en een hele toffe afwisseling. Nu was het echter tijd om de hotels terug in te wisselen voor hostals, de kingsize bedden voor muffe matrassen, de auto voor chickenbussen, de cocktails voor pintjes en de peepjes terug op het vliegtuig naar België te zetten. We hadden nog een laatste gezellige avond in San José en dan veeeeeeeel te vroeg naar de luchthaven, vier uur op voorhand hadden ze gezegd bij het reisbureau, dat was dus twee uur te vroeg… Nadat het afscheid dan eindelijk daar was, was het weer even aanpassen aan ons ‘getweetjes’. We bleven nog een nacht in San José, omdat het al laat was, maar de volgende dag was het weer tijd voor een nieuwe stempel in ons paspoort en een bijhorende nieuwe grensovergang die weer helemaal vertrouwd aandeed met alle sjacheraars erop en eraan!




Panama, 22/2/2008, 8006 km afgelegd
Taal: Spaans en Engels
Munteenheid: Balboas = Dollars
Inwoners: 3,2 miljoen
Oppervlakte: 75 517 km²




Na niet erg geslaagd afdingwerk propten we ons met veel te veel in een minibusje naar het haventje vanwaar we de watertaxi naar Bocas del Toro zouden nemen. We gingen naar het grootste eiland van deze eilandengroep, Isla de Colon, en werden meteen terug ondergedompeld in de Caribische sfeer. Daar aangekomen boekten we een tour voor de volgende dag en nestelden we ons in onze container: een kamer gemaakt van golfplaten, juist groot genoeg voor een twijfelaar, een ventilator, onze twee rugzakken en lakens die volgens mij niet gewassen waren (lagen gewoon op een hoopje op het bed, juist of iemand net was opgestaan en het zo had achtergelaten)…hmmm wel even aanpassen na twee weken hotel. De volgende dag vaarden we eerst naar ‘Bahia de los delfines’ waar we veel flippers zagen, maar niet mochten zwemmen omdat het er naast dolfijnen ook krioelde van de kwallen. Daarna brachten ze ons nog naar een snorkelplaats (niet zo spectaculair) en een prachtig wit zandstrand met enorme golven waarin het zalig spelen was. De laatste stop was nog een snorkelplaats waar we een visser een HAMERHAAI uit het water zagen halen!! Een kleintje weliswaar, maar waar kleintjes zijn… Er zaten ook een paar kindjes in een uitgeholde boomstam boven het rif te vissen en we zagen al snorkelend visjes brokjes van het aas afeten tot er eentje de gelukkige was en de grootste brok beet had, maar zich daarmee ongelukkig genoeg wel als bbq-materiaal bestempeld had. Na nog een uurtje snorkelen en gelukkig genoeg geen haaien (Birger zet nog steeds zijn zoektocht voort) terug naar ons hok. Nog een dag een wandeling gemaakt over het eiland en genoten van de sfeer om dan naar Bouquete te trekken.

We hadden op heel onze rondreis door Centraal-Amerika nog geen enkele Quetzal (prachtige zeldzame vogel) gezien. De Quetzal is het nationaal symbool van Guatemala (de munteenheid heet ook ‘quetzal’) en de Maya’s gebruikten zijn prachtige lange groene staartveren voor het maken van maskers en kostuums. Door zijn gegeerde pluimen is deze prachtige vogel nu met uitsterven bedreigd (we hoorden dat één staartveer op de zwarte markt 1000 dollar waard is!). Bouquete was onze laatste kans om deze vogel eindelijk eens met eigen ogen te aanschouwen en we lieten ons bed al vroeg in de morgen warm achter om de ‘sendero de los quetzales’ te doen. Een wandeling met die naam, dat kon toch alleen maar goeds betekenen, dachten we. We kregen geen ongelijk. Na een uur wandelen zagen we al vier quetzals overvliegen en Birger werd echt zot. Na een drie uur durende klim tot een uitkijkpunt gepuft te zijn en daar gegeten en uitgerust te hebben, zagen we op de terugweg nog eens een zestal quetzals en konden we zelfs foto’s nemen (zie foto’s). Na zeven uur ploeteren kwamen we eindelijk terug bij ons hostal aan, uitgeput maar blij. We betaalden onze volgens mij aan de coke zittende eigenaar van het hostal (die deed echt superraar en zat heel de tijd aan zijn neus te frullen) en stonden de volgende morgen vroeg op om weer maar eens een bus te halen. Deze keer was onze bestemming Panama City. Verscheidene uren bus en ettelijke sjacheraars later kwamen we eindelijk aan in Panama. Een vriendin van een vriendin van mij, Kaat, werkt voor een jaar in Panama dus ik stuurde haar meteen een mailtje om af te spreken. We informeerden bij de eigenaar van het hostal naar bootreizen van Panama naar Colombia (we hadden ergens gelezen dat dit gedaan werd) en hij zei dat hij de kapitein kende van een 40m lange zeilboot die vier dagen later naar Cartagena zou vertrekken en plaats had voor een twintigtal mensen (crew inbegrepen). We waren superblij en legden meteen vast. Die avond dachten we ons geluk nog eens te beproeven in één van de ontelbare casino’s. Deze keer hadden we minder geluk en werd het in plaats van 120 dollar winst slechts 8, maar ja alles beter dan verlies. We waren echt super in de wolken over onze boottocht en genoten met volle teugen van Panama. Het is een hele moderne stad met wolkenkrabbers a la New York (al zal dat nog wel even ietsje meer overweldigend zijn), een charmant oud gedeelte dat aan Havana doet denken en vanwaar je over het water de skyline kan bewonderen, veel moderne winkels (ik kon hier eindelijk de laatste Harry Potter kopen voor op de boot) en het was een verademing eindelijk nog eens in een toffe grote stad te zijn. We bezochten het Panama kanaal, wat heel teleurstellend was voor mij (ik had iets verwacht in de aard van het kanaal van Corinthe) daar je gewoon een rivier ziet die dan overgaat in een aantal sluizen die ik in Herentals op het Netekanaal ook kan ‘bewonderen’. Ze hadden wel hun best gedaan een mooi museum te openen en dat maakte de inkom van 8 dollar dan toch nog een beetje goed. Die avond spraken we af met Kaat en zij toonde ons haar mega-waw-luxe appartement (allemaal betaald door het werk) en nam ons in haar auto mee naar de toffe plekjes van de stad. We belandden uiteindelijk in Calle Uruguay, naar het schijnt één van de populairste uitgaansbuurten van Centraal Amerika, het was eraan te merken! ‘t één en ‘t ander en de lijfspreuk van alle vrouwen in Latijns-Amerika: ‘Less is more’ werd hier NOG enthousiaster nageleefd en nog zo’n leuze ‘hoe spannender hoe beter’ of hoe voller de vrouw hoe kleiner het maatje (soms moet ik een beetje aan slagersworsten denken). Natuuuuuuuuurlijk werd ik (hoe klein ik mij ook probeerde te maken) in de discotheek die we uitgezocht hadden op het podium geroepen voor één of andere proef. Omdat ik die man al eerder had afgewimpeld, ging ik dan toch maar mee. Uiteindelijk stonden er zes meisjes op het podium van zes verschillende landen. Ik wist nog steeds niet wat de bedoeling was. Toen riep hij de Costa Ricaanse en de Colombiaanse naar voor en moesten ze tegen elkaar dansen. Amai ik was RAP weg zenne!!!! Zelfs in de goorste r&b clips heb ik nog nooit gezien hoe die met alles waarmee er te schudden viel begonnen te schudden, NIET NORMAAL!!!! Het was een heel gezellige avond en we waren echt jaloers op Kaat, we zouden meteen tekenen voor een soortgelijk contract, wie weet. Ze had trouwens bijna stand-inn geweest als Bond-girl (de nieuwe Bond-film wordt in Panama gedraaid, maar het moet Colombia voorstellen) daar de oorspronkelijke stand-inn niet kon en ze een grote blonde zochten, maar dat werd op het laatste moment toch afgezegd, BUMMER! Na drie dagen Panama City vertrokken we naar de San Blas eilanden vanwaar we dan de volgende dag met de zeilboot zouden vertrekken. We werden met de grootste schrootjeep ooit opgehaald aan het hostal. Na een vier uur lange hobbelige rit en ettelijke keren gestopt te zijn (de veren van de jeep waren kapot en na elke diepe put moest de krik bovengehaald worden en een nieuw stuk hout tussen de vering gestoken worden) werden we afgezet aan een rivieroever in de jungle. Een halfuurtje later kwam er een bootje aan dat ons meenam naar één van de eilandjes waar we zouden overnachten. We vaarden voorbij minuscule eilandjes waar nog een authentiek indianenvolkje, de ‘Kuna’s’, woont. Alle eilanden in San Blas Archipel zijn hun eigendom, ze zijn een autonome gemeenschap met een eigen regering en leven nog steeds min of meer hetzelfde als voor de Spaanse binnenval 500 jaar geleden. We vaarden ook voorbij een mega grote zeilboot die vlakbij ‘ons’ eilandje voor anker lag en Birger zei nog ‘amai, als dat onzen boot is dan word ik ZOT!’ (hij is nu dus helemaal GAGA, want het WAS onze boot :o) ). Het eilandje waar wij op verbleven telde misschien een honderdtal hutjes. We kregen er eentje voor onszelf en maakten kennis met de andere mensen die hier verbleven. Toen iedereen er was, propten we ons allemaal terug in het bootje en vaarden we een klein uurtje langs de meest idyllische eilandjes met mijn zo gegeerde overhangende palmbomen over turkooishelder water en parelwit strand. Mijn mond viel echt open! Uiteindelijk stopten we op één van deze pareltjes en werd er in een hutje lunch voor ons gemaakt. Birger had zijn snorkel mee en het was hier het mooiste snorkelen dat we al gezien hebben op deze reis. WAAAUW echte heuse onderwatersteden met prachtige kleuren en vormen en waanzinnig veel verschillende vissen. We konden het gewoon niet geloven dat we op zo een prachtige plek waren. Juist een decor van een reclamespotje voor één of ander reisbureau of voor Bounty…echt de mooiste stranden die ik ooit al gezien heb! Na een hele zalige dag terug de boot in en naar ons mini-eilandje. We genoten met zijn allen gezellig van het spotgoedkope avondmaal en bewonderden de prachtige onbezoedelde sterrenhemel. Hadden we dit geweten dan waren we al een dag vroeger uit Panama vetrokken en waren we misschien niet bestolen geweest (een personeelslid (een Australiër) van het hostal had 400 dollar uit onze portefeuille gehaald die in het kluisje zat en was hem dan gesmeerd met de laptop van de eigenaar, SMEERLAP!!!).




De volgende ochtend na het ontbijt stond Kapitien Lulu daar al om ons naar het ruime sop te brengen. Nu dachten we helemaal dat we droomden, wat een geweldig schip! ‘Die Stahlratte’ is 105 jaar oud en eigendom van een soort Duitse commune die dertig jaar geleden de boot gekocht had en nu een beetje uiteengevallen is. Ze doen zulke tours om geld bijeen te halen om de boot te kunnen onderhouden en hebben al overal gezeten. Bootje per bootje kwamen alle opvarenden aan en het werd een bont internationaal gezelschap: Duitsland, Oostenrijk, Zweden, Noorwegen, Engeland, USA, Australië en België allemaal onder één dak of onder één mast dan toch. De eerste dag vaarden we een paar uur (met gehijste zeilen, maar de motor ook aan) naar een eilandengroepje waar we drie dagen zouden blijven. Je kon vooraan de boot in de netten boven het water gaan liggen en bij het naar beneden kijken merkte ik ineens op dat er een groep dolfijnen met de boot meezwom….ONGELOFELIJK. Het benedendek was uitgerust met stapelbedden en dubbele bedden en op het bovendek stonden een paar strandstoelen en een grote tafel waar we met zijn allen aten (zie foto’s). Elke dag was er een groep verantwoordelijk voor het eten. De dag dat ik moest koken was het bbq op één van de eilandjes. We (Laura, Hanna, Vanessa en ik) moesten dus enkel ontbijt maken en groentjes snijden voor de brochettes die iedereen dan zelf moest maken op het eiland. Dit was een zaaaaalige avond, ik zal de foto’s hun werk laten doen want ik kan het toch niet beschrijven. We hadden jullie allemaal graag naar daar gezapt om jullie te laten meegenieten want het was echt super. Pintjes drinken in het warme kristalheldere water in een prachtige omgeving, brochettes roosteren boven het vuur en daarna kampvuur met Kapitien Lulu als gitarist en zanger en MAN die kon er wat van! Duitsers hebben normaal een nogal lelijk accent als ze Spaans spreken, maar ik heb in Sevilla, de stad van de flamenco, live geen betere flamenco horen zingen en spelen als hier op dit Caribisch eiland door nen Duitser, hoe ironisch. Hij had drie jaar in Cadiz gewoond (ook met de boot) en kende dus een enorm flamencorepertoire, kon enorm goed gitaar spelen en beheerste de typische flamenco ‘klaagzang’. Laura, half Australisch half Grieks, bleek een enorm talent te bezitten om grappige liedjes uit haar duim te zuigen onder gitaarbegeleiding van Kapitein Lulu en dit zorgde voor veel hilariteit (ik zat twee dagen later nog met haar deuntjes in mijn hoofd). Die drie dagen waren gewoon genieten, genieten en nog is genieten. Eén van de Noorse meisjes zag tijdens het snorkelen een rifhaai en Birger zat hierna dus meer in het water als op de boot, maar had tot zijn grote spijt geen geluk (ik moet er nu van hem bijtypen; ‘maar hij zag wel een enorme barracuda, ne gigantische stingray en een octopus’ :o)). De vierde dag vertrokken we ‘s morgens vroeg richting volle zee en zouden dan een 30-tal uur aan een stuk varen tot Cartagena, Colombia. Ik ben niet echt zeeziek geworden (Laura werkt als stewardess op een extreem luxueus jacht en had goede pillekes), maar het zal toch niet veel schelen. Ik was nog nooit echt op volle zee geweest en dat zijn toch wel fameuze hoge golven. Veel meer als liggen en lezen kon je niet doen, want dan werd je veel te duizelig (ik had compassie met de kookploeg van die dag). We genoten weer meermaals het gezelschap van groepen dolfijnen en ’s nachts werd het geagiteerde water rond de boeg verlicht door fluorescentie, niet enkel een betoverende sterrenhemel boven onze hoofden dus, maar ook één onder onze voeten, PRACHTIG! Die nacht deed ik niet meer dan een halfuur aan een stuk een oog dicht. Constant klots, klots, klots,…van links naar rechts naar rechts naar links heen en weer en terug…. ik werd CONSTANT wakker. Tegen de ochtend aan deed ik dan uitgeput toch nog een dutje en toen ik wakker werd, was er al land in zicht….de skyline van Cartagena!!! Ook wel een mooi zicht, maar ik had toch een beetje hartzeer dat onze zeepbel dra zou worden doorgeprikt. Als we niet al naar Cuba geweest zouden zijn zouden we zeker binnen een week terug meegegaan zijn met de ‘Stahlratte’. Ze zouden zeven volle dagen naar Cuba varen, daar een paar dagen blijven, dan een volle dag naar Jamaica varen, daar ook een paar dagen blijven en dan terug naar Colombia varen. Heel aanlokkelijk, maar we hebben nog zo veel te zien en toch niet ZO heel veel tijd meer, dus misschien ooit in een ander leven.




Colombië, 8/3/2008, 9129 km afgelegd
Taal: Spaans
Munteenheid: Colombiaanse Pesos
Inwoners: 43 miljoen
Oppervlakte: 1 141 748 km²




We werden in groepjes naar land gebracht en belandden bijna allemaal in hetzelfde hostal. Die avond spraken we met heel de groep (ook de crew) af om lekker te gaan eten. Cartagena bleek een prachtige stad te zijn. Misschien wel de mooiste koloniale stad die ik al gezien heb. Deed me heel erg aan Spanje denken, maar dan minder ‘clean’ en dat vond ik wel tof. Het werd weer een superavond. Birger bleef met de kerels rum cola drinken op de stoep van een barretje en ik ging met de meisjes naar boven een dansbar binnen. Op een gegeven moment zagen we vanop het balkon van de bar security en politie aankomen en kwamen er vier heel opgedirkte meisjes en jongens de bar binnen. Bleek dat één van die jongens de zoon van de president van Colombia was. We konden ons nog net inhouden van een foto te vragen, daar zorgden de dreigende katachtige blikken die de meisjes in onze richting bliksemden wel voor, haha. We bezochten de tweede dag een minivulkaan (Vulcan de Lodo) waarin een soort mineraalrijke modder in het kratertje stond. Dit was echt SUPERRAAR. We klommen één voor één langs een trapje naar beneden en lieten ons in de smeuïge modder zakken. Het was echt vreemd, je kon geen bodem voelen en toch zakte je niet verder weg, je bleef gewoon steken en kon totaal niet gecoördineerd bewegen. Als je je evenwicht verloor, viel je als het ware om. Echt heel grappig en de moeite waard! We maakten de volgende dagen nog veel plezier en ik ging elke avond uit, maar Birger was altijd te moe, waar kennen we dat van? (die eerste avond viel hij zelfs naar goede gewoonte in slaap op de toog, neenee hij is geen haar veranderd :o) Na drie dagen was het voor ons echter tijd om naar Bogotá (20 uur bus) af te zakken daar we zo snel mogelijk een goedkope vlucht naar ergens zo zuidelijk mogelijk wilden boeken en dit op het internet niet goedkoop genoeg vonden. De rest trok samen verder naar Santa Martha voor nog meer strand en ik had toch wel spijt, want wij moesten nu voor lang ‘ADIOS!’ zeggen tegen het strand. We willen nu zo snel mogelijk zuidelijk reizen, omdat we Patagonië willen doen en als we nog langer wachten, gaat het daar veeeeel te koud zijn. We hebben in Bogotá een vlucht gevonden naar Chili (21 maart) en zullen nu eerst Patagonië (Chili en Argentinië) doen en van daaruit terug naar boven reizen naar Bolivië, Peru en Ecuador en dan uiteindelijk naar Brazilië vanwaar we terug naar huis vliegen, maar dit is nog wel even weg. De resterende dagen voor de vlucht gebruiken we om nog een beetje van Colombia te zien. Bogotá viel een beetje tegen door het weer (regenachtig, grijs en koud). We bezochten het goudmuseum en een tentoonstelling van Botero, beiden gratis. Cali was een toffe stad, maar vooral Popayan was echt de moeite. ‘La ciudad blanca’ heeft zijn naam niet gestolen, alles is oogverblindend WIT! We deden vanuit Popayan een uitstapje naar Silvia, een dorpje waar nog een indianenvolk leeft en zich nog kleedt in traditionele kledij. Het was markt die dag en heerlijk om rond te dwalen door de straatjes en te genieten van de folklore. De processies tijdens de Samana Santa in Popayan zouden de tweede mooiste van de wereld zijn (na die van Sevilla). Het was inderdaad het een en het ander (maar Sevilla was inderdaad nog wel net iets ‘WAW-er), al waren wij voor de omstaanders meer attractie dan de processie. Schoolkinderen die met de stoet meeliepen, kwamen constant dingen vragen (honderd keer hoe laat het was en waar we vandaan kwamen en dan duidelijk niet wisten waar België lag) en of ze met ons op de foto mochten. Op de duur werd het een beetje overdreven en voelden we ons echt bekeken. Twee mannen die achter ons stonden werden door de ‘omnipresente’ militairen zelfs verzocht van weg te gaan, omdat ze ‘verdacht’ gevonden werden. We waren precies sterren, haha! Er is hier duidelijk nog niet veel toerisme, waarschijnlijk door de slechte reputatie die het FARC de streek gegeven heeft, maar wij waren verrast hoe oprecht vriendelijk de mensen in Colombia zijn, het was echt de moeite. We hebben geen slechte ervaringen gehad en ons altijd heel erg op ons gemak gevoeld. Na 15 uur bus en weinig slaap zijn we nu terug in Bogatá en morgenmiddag vliegen we over Lima naar Santiago de Chile voor weer een hoop nieuwe belevenissen. Ik ga nu afsluiten, want er zit hier een kerel enorm hard te ‘SCHMAKKEN’ (het meisje naast mij zit zelfs met haar oren toe te lezen) en zijn zakje pindanootjes is nog LANG niet leeg!!!!!! :o)




U ziet het, we stellen het nog steeds goed, zien elkaar nog altijd graag, maar kijken nu toch al uit naar een dik pak friet met veeeeeeeeeeeel MAYONAISE en een lekkere frisse Belgische PINT!!!!!

dinsdag 29 januari 2008

On the road with two kanguru's

Terug naar Antigua, Guatemala voor het begin van een nieuw (lang) hoofdstuk. We besloten toch nog een dagje langer te blijven en Copán uit te stellen tot de volgende dag, kwestie van Birgers verjaardag niet op de bus te vieren. ’s Avonds een gezellig verjaardagsdineetje in één van de vele restaurantjes. We waren net aan ons hoofdgerecht bezig toen het platformpje waarop onze tafel stond begon te schudden. Ik dacht dat iemand aan het wiebelen was ofzo en zou nooit aan een aardbeving gedacht hebben, moest Birger het zich niet hardop afgevraagd hebben. Het was wel degelijk een aardbeving en nog geen kleintje ook niet. De vorige dag op hetzelfde uur stonden we nog boven gloeiend hete lava marshmallows te roosteren. Al goed dat we het niet een dag later gepland hadden…Stel je voor een aardbeving terwijl je op de top van een actieve vulkaan staat… :os De volgende dag of beter gezegd nacht (4 uur ’s nachts) de bus op richting Copán, Honduras. We hadden ons toch maar weer eens laten verleiden een minibusje te boeken in plaats van de vertrouwde chicken bus (terwijl we onszelf de laatste keer gezworen hadden nooit meer een shuttle te pakken). We zouden het ons alweer beklagen, maar de volgende drie weken zouden er op een verrassende manier door bepaald worden. Toen we opstapten meenden we al een Australiër te herkennen van op de ruïnes van Palenque. Deze vermeende Australiër bleek later echter een Noorderbuur te zijn toen hij mij doodleuk na twee uur bus en Engelse conversaties zei: ‘je rits staat open’. Hij vertelde ons later dat hij express niets gezegd had in het begin om ons te kunnen afluisteren, de gluiperd :o). We vonden hem achteraf inderdaad terug op onze foto’s van de ruïnes van Palenque, de wereld is klein, zeker als je reist. Je komt altijd dezelfde mensen tegen, soms zelfs tegen het absurde aan. We ontdekten ook dat hij en twee andere meisjes die op ons busje zaten (een Patricia een duitse en Ulla een Finse) juist niet overlappend in hetzelfde hostel hadden verbleven in San Cristobal de las casas. Twee andere passagiers op de bus waren Chris en Chloé een Australisch koppel op huwelijksreis (voor vier maanden, jep can’t beat that!).

Honduras, 5/1/2008, 3148 km afgelegd

Taal: Spaans en Engels

Munteenheid: Lempiras

Inwoners: 6,7 miljoen

Oppervlakte: 112 090 km²

Na 7 uur bus (wat vijf uur had moeten zijn) uiteindelijk aangekomen in Copán ‘the village’ en op zoek naar een hostal. Peter, de Hollander, was al meteen mee met de twee meiden (nood aan vrouwelijke aandacht veronderstelden we :o) ) terwijl wij samen met Chris en Chloé de richting Via Via (Belgische keten van Backpackershostals en restaurants over de hele wereld, in Antwerpen is er ook één) wandelden. Supergezellig en een hele toffe sfeer, maar bijgevolg spijtig genoeg VOL. Op naar ‘The Blue Iguano’ dan maar, waar we Peter en zijn twee potentiële slachtoffers aantroffen. Daar we maar voor één reden in Copán ‘the village’ waren, namelijk voor Copán ‘the ruins’ meteen na het neerkrabbelen van de noodzakelijke gegevens richting de negende (en waarschijnlijk de laatste) Maya site op ons lijstje. De inkom van 15 euro was niet echt in verhouding met de site, daar het één van de enige, of misschien wel de enigste Mayasite in Honduras is, willen ze de koe blijkbaar droogmelken. Een bezoek aan de graftombe en ondergrondse tempels via tunnels die uitgegraven waren door archeologen kostte nog eens 15 euro extra, dus lieten we dat bezoek noodgedwongen maar voor wat het was, terwijl we dit toch wel echt graag gezien hadden. We zijn natuurlijk verwend met alles wat we al gezien hebben, maar deze site was de duurste na Tikal en bijlange niet de beste. Voor mij zelfs de minste… We waren echter in goed gezelschap en maakten beter kennis met onze nieuwe reismaatjes. Bleek dat Chris en Chloé dezelfde trip op vulkaan Tajumulco geboekt hadden als ons en moesten wij dus niet ziek geworden zijn, zouden we de trip samen gedaan hebben. We zagen achteraf hun foto’s en beklaagden ons nog maar eens dat we net dán ziek geworden waren…echt supermooi! Ze vertelden er echter ook bij dat het superzwaar was en dat ze een beetje last hadden gehad van hoogteziekte en tijdens de zonsopgang zo bevroren waren dat de pracht ervan hen even gestolen kon worden. De nieuwe bewoners van Copán waren een familie ara’s en een soort rare knaagdieren, wat ons nog wel wat leuke plaatjes opleverde. Terug in Copán ‘the village’ een lekker goedkoop restaurantje opgezocht met Peter, Chloé en Chris en daarna de ‘Via Via’ in voor een paar pintjes. De volgende dag om 7 uur vertrok de volgende bus alweer, dit keer voor ons richting Bay Islands, de twee meisjes trokken richting San Salvador. We hadden nog niet beslist welk eiland we zouden kiezen, Utila of Roatan, maar nog een halve dag bus voor ons om te beslissen. Chris en Chloé hadden oorspronkelijk gepland van enkele dagen in La Ceiba te verblijven in ‘The jungle River lodge’, maar omdat ze ons gezelschap zo op prijs stelden (jaja echt waar :o) ), besloten ze mee te reizen naar the Bay Islands wat ze normaal voor later gepland hadden. Aangekomen in de haven bleek de boot naar Roatan reeds volgeboekt te zijn (ook al waren we meer dan een uur te vroeg) en dus bijgevolg een ticketje naar Utila gekocht. Na een uur ruige boottocht aangekomen op één van de beste duikersparadijzen ter wereld. We werden, eens van de boot, meteen aangeklampt door tientallen ‘proppers’ die hun hostel of duikcenter/hostel aanprezen. Deze keer waren de proppers echter geen inboorlingen, maar allemaal toeristen… vreemd! We besloten de plek die de gids aanprees (Freddy’s) te bekijken en op de weg naar daar Alton’s te bekijken. Wij (Birger, Peter en ik) verkozen Alton’s daar het meer leefde als Freddy’s. Ik denk dat Chris en Chloé niet echt overtuigd waren door Alton’s (we sliepen met vijf in een dormitory voor vier, maar betaalden wel vijf bedden, AFZETTERS!). De volgende dag wilden ze dus op zoek naar iets anders. Wij waren best tevreden met Alton’s (houten kamers met stapelbedden op een soort ponton op het water met een aanmeerplaats voor de boten en een zalige uitloper van het houten ponton met hangmatten en een barretje (zie foto’s)), maar het groepsgevoel maakte dat we allevijf op zoek gingen naar een ander hostel. Na tot de constatie gekomen te zijn dat de ‘Mango Inn’, onze favoriet (met een zwembad!!! voor een spotprijs) vol zat en dat alle andere hostels in dezelfde straat ook bleken vol te zitten of verschrikkelijk duur waren, terug naar af. Na nog eens met bagage en al ondergeplensd te worden door een uitloper van een tropische storm en absoluut een nulpunt van humeur bereikt te hebben, besloten Birger, Peter en ik met de staart tussen de poten terug richting Alton’s te trekken om onze dormitory terug te vragen. Chris en Chloé vonden iets volledig naar hun zin op weg naar huis. In de sjakosj! Ons slecht humeur verdween als regen voor de zon, we schrapten de mislukte voormiddag uit ons geheugen en maakten er nog een toffe dag van. Na één en ander uitgezocht te hebben in verband met duikexcursies en -initiaties en uitstapjes naar eilandjes in de buurt, besloten we van de volgende dag een bootje (met kapitein) te huren om ons naar Cayo Agua te brengen, één van de paradijselijke eilandjes rond Utila. We kochten wat snacks en huurden snorkels en zwemvliezen en ‘Captain Hal’ bracht ons voor 600 lempiras met zijn bootje naar het ‘Bounty Island’ van dienst. Weer maar eens prachtige vissen en koraal gezien en dat op slechts tien meter van ons paradijselijk ‘privé’ strand. Je kon door het ondiep water naar het volgende eiland waden dat privé bleek te zijn met een prachtig villaatje, inclusief privé strand en hangmatten…GELUKZAKKEN!!!! Na een paar uur zoet geweest te zijn met lezen, snorkelen, picknicken en de kerels een tiental kokosnoten uit de bomen hadden gehaald (expeditie Robinson achtige taferelen) was ‘Captain Hal’ daar al weer om ons terug op te pikken. Zalig deze mens zijn accentje, ik zou het definiëren als een mix tussen Schots en Jamaicaans. De rit terug was al even tof als de dag op het eiland. Superhoge golven en onze kapitein had nogal een ‘zware voet’… Die avond hielden we het rustig daar Chris en Birger de volgende dag op duiktrip gingen en Peters duikcursus begon. Grappig dat dit ‘duikerseiland’ rond tien uur ’s morgens volledig uitgestorven lijkt, omdat iedereen onder water zit. Toen we ’s middags terug naar ons gewoonlijke barretje gingen om te lunchen zat het stampvol, terwijl wij (Chloé en ik) er het ontbijt alleen deelden met een ander meisje dat ook niet dook en daar wachtte op haar vriendin die wel gaan duiken was. Zij vertelde ons dat er die avond een feestje was in een boomhut of iets in die aard en we spraken af samen te gaan. Die avond werd er één uit de duizend, in een psychedelisch barcomplex van Gaudi geïnspireerde bouwwerken in, onder en rond bomen. Overal bogen, spiegels, tegeltjes gesierd (of ontsierd) door talrijke spinnenwebben (zie mega wauw foto’s van spin). Het werd laat en er werd een beetje te diep in het glas gekeken wat ons de volgende dag letterlijk zuur opbrak daar we de boot terug op moesten richting vasteland. BAH! De boot vertrok pas om twee uur, dus we konden nog een volledige voormiddag zombie spelen op ons Alton’s ponton (zie foto’s). Na de duurste sandwich ooit (175 lempiras of 8 dollar!!!) een uur gewacht op de boot, die we dan toch bijna misten, omdat we met onze katerige ogen niet doorhadden dat hij aan de andere kant van de kade was aangekomen. Toen iemand ons vroeg of we op de boot richting ‘La Ceiba’ aan het wachten waren en daar doodleuk aan toevoegde dat die juist vertrokken was, ontwaakten we uit onze roes en spurtten tegen sneltempo de pier op om toch nog op het nippertje op de boot te kunnen springen die voor ons een stukje moest terugvaren. Peter lieten we achter in Utila, daar hij nog drie dagen duikcursus te goed had en daarna richting Belize en Mexico zou trekken. We besloten de ‘Jungle River Lodge’ op te zoeken, het hostal waar Chris en Chloé origineel naartoe wilden gaan en van waaruit je aan verschillende activiteiten kon deelnemen. Van het ene paradijs naar het andere bleek achteraf. Nadat de taxi ons door de jungle over een lang hobbelig en stoffig pad op onze bestemming had gebracht viel onze mond weer maar eens open. Een houten huttenconstructie naast gigantische rotsen (precies decorstukken) met zicht op de wilde rivier die zich een weg baande door de jungle was onze nieuwe thuishaven (zie foto’s). Daar het nog niet echt laat was, maar toch te laat om nog één van de activiteiten te ondernemen, vroegen we Darwin (die in mijn opinie beter de naam Mauwgli had meegekregen) of het mogelijk was in de rivier te zwemmen en of je van de rotsen kon springen. ‘Claro que si’, was het antwoord en een luttele vijftien minuten later stonden we al op de rand van één van de rotsen te twijfelen of we Darwin zouden naspringen in het kolkende water 7 meter lager of niet. Nadat Birger en Chris gesprongen waren, ging ik ook de dieperik in en nadat we alle vier de overkant van de rivier bereikt hadden, gaf Darwin ons een kleine rondleiding door het rotsachtig tot de verbeelding sprekend junglelandschap aan de overkant van de rivier. Na nog een paar keer het kriebellend gevoel ervaren te hebben door van de rots te springen de douche in en aan tafel voor een diner bij kaarslicht want er was geen verlichting. De volgende dag zouden we gaan raften. Na de volgende ochtend de nodige instructies gekregen te hebben op naar het avontuur. Er stonden stroomversnellingen tot level V op het menu en we gaven onze camera aan één van de gidsen om onze heldhaftige afdalingen op de gevoelige plaat vast te leggen (zie foto’s). Eén van de kerels was een typisch Amerikaans zwaarlijvig seutje waar je van verwacht zou hebben dat hij het in zijn broek zou doen in het wilde water. Toen zijn vrouw echter uit de boot viel in een stroomversnelling (welk lot ook mij te beurt viel) sprong hij haar zonder aarzelen achterna in het kolkende water. Ik vond dit hilarisch grappig, want de gids in hun boot was de verantwoordelijke van heel de trip had ons voor het vertrek zelfs laten bidden terwijl we allemaal elkaars handen moesten vasthouden dat God ervoor zou zorgen dat de rivier ons een veilige trip zou bezorgen. Eén van de regels was ‘wat er ook gebeurt, blijf in de boot’ en dan juist Giovanni van alle mensen springt zijn vrouw achterna juist uit de boot van de fanatieke gids…. Priceless!!! Na zoveel adrenaline konden we in de namiddag niet gewoon relaxen, dus besloten we van die dag ook nog de ‘zipline canopy tour’ te doen. In Tarzan style roetsjten we van boom tot boom, zalig om aan duizelingwekkende snelheden door de jungle te vliegen slechts centimeters verwijderd van eeuwenoude woudreuzen. AAAAAAAAAAAJAHIJAHIJAAAAAAAAAAAAA!!!!!!!!!! Na nog maar eens een paar keer van de rots gesprongen te hebben (redelijk verslavend) een gezellig avondje tegemoet. De volgende dag besloten we van nog maar eens actief te zijn en de ‘hike’ te ondernemen naar een waterval in de buurt. Een dik uur zwoegen door de supervochtige jungle en dan nog meestal bergop. Ons doel dreef ons echter verder, we zouden een lekkere plons kunnen nemen onder de waterval. Bleek dat even anders uit te draaien. Er waren alleen heel glibberige rotsen onder de waterval en dus geen kans op een plons..DAMN! We zagen een dode Boa Constrictor tussen de rotsen liggen die waarschijnlijk de val van de waterval niet overleefd had en begonnen al snel aan de weg terug die veel minder vermoeiend was als de heenweg. Terug aan het hostal was de legertruck waarmee we gratis naar de busterminal gebracht zouden worden nog niet ter plaatse, dus genoten we nog maar eens van een laatste plons in het water. Er waren twee Amerikaanse gezinnen die ons van de rotsen hadden zien springen en ons voorbeeld wilden volgen. Ze sprongen na verloop van tijd allemaal, bijhalve één van de mama’s die tot een uur later (toen onze truck er eindelijk was) nog altijd in trance op de rots stond in de hoop zichzelf ervan te overtuigen te springen (ik vraag mij af of ze er nog steeds staat :o) ). Chris en Chloé trokken richting Tela om van daaruit richting Belize te reizen, maar ze waren al aan het twijfelen om hun plan te wijzigen en misschien met ons mee richting Nicaragua te komen in plaats van richting Belize. We trokken dus mee richting Tela daar de gids het beschreef als een van de ‘backpackers favorites’ aan de Caribische kust van Honduras. De gids liet ons in de steek. Wat een ongezellig en zielloos stadje! Daarenboven waren alle hostals buiten vies en vuil ook nog eens schandalig duur. We besloten dus maar een kamer te delen met drie bedden bij een familie die kamers verhuurde, teneinde de kosten te beperken. Een beetje raar van met vier opeengepakt te zitten in een kamer ‘met badkamer’ (gescheiden van de kamer door enkel een douchegordijn) en een toilet dat na de eerste flush al overliep (inclusief een drolletje van de vorige klant), maar daar we veronderstelden dat het onze laatste avond samen was, genoten we er ten volle van. De volgende dag zagen wij (Birger en ik) er geen nut in van nog langer in Tela te blijven en wilden we dus gaan informeren wanneer de bus richting de hoofdstad (Tegucigalpa) vertrok om van daaruit de volgende dag te kunnen verdertrekken naar Nicaragua. Chris en Chloé moesten ook informeren in verband met hun vervoer naar Belize dus op naar het busstation. Toen het moment gekomen was van de ticketjes te kopen, besloten de ‘Sydnyers’ toch ook maar een ticketje richting Tegucigalpa te kopen en ons dus te vervoegen op onze trip richting Nicaragua. Ik hoopte nu wel echt dat Nicaragua de moeite zou zijn, want anders zou ik mij wel een beetje schuldig voelen. Het was een lange busreis (vijf uur) en ik hoorde op een bepaald moment de vrouw aan de andere kant van het gangpad tegen één van haar zoontjes (die achter ons zaten) zeggen ‘waarom heb je dan ook zoveel gedronken’. Ze diepte een zakje op uit haar handtas en na veel gegiechel leegde het jongetje zijn blaas in het zakje waarna hij het door het open raam naar buiten smeet. Al de pipi SPLASJJJJ tegen de buitenkant van de raam, erger nog, het zakje waaide enkele raampjes verder terug binnen, recht in het gezicht van een andere passagier. Oh man, precies een scène uit een komische film. De mama stak meteen haar hoofd diep weg van schaamte en de jongetjes konden hun giechels maar net bedwingen al moesten wij ook heel hard ons best doen. Eindelijk aangekomen in Tegucigalpa richting Hotel Real voor een noodzakelijke overnachting. Tegucigalpa had een vijandige sfeer over zich en de rollen prikkeldraad en afsluitingen boven de muren schrikten ons meer af dan dat ze ons een veilig gevoel gaven. Wat moest er hier buitengehouden worden…??? Daar het al donker was en we geen zin hadden in de lugubere sfeer op zoek te gaan naar een restaurantje, besloten we in de supermarkt een blok verder noodles, chips en dergelijke te kopen en ons daarmee tegoed te doen in het hotel. We leerden de ‘Kanguru’s’ ‘Kingen’, wat een hele opgave was daar ze nog ineens het concept ‘troef’ of de term ‘een slag’ niet kenden. We moesten woorden uitvinden zoals ‘a getter’ (een slag), maar na een aantal keer open hand gespeeld te hebben, bleken ze er redelijk goed mee weg te zijn en later zouden ze zelfs redelijk verslaafd worden aan ons kaartspelletje. De volgende dag hadden we de keuze een directe bus te nemen (schandalig duur) of de publieke bussen. Het werden dus de publieke bussen waar we er wel drie van zouden moeten nemen. We waren echter net te laat aan de terminal (normaal zijn er geen vaste uren en we waren er dus maar gewoon op goed geluk op afgegaan, maar deze keer waren er natuurlijk juist wel vaste uren), de vorige bus was net vertrokken en we moesten 1,5 uur wachten op de volgende. We profiteerden van de gelegenheid om te ontbijten (we hadden onze les geleerd van eerdere hongerige busdagen en hadden de avond ervoor sandwiches, kaas, tomaten, mayonaise en ketchup gekocht in de supermarkt) en hadden veel beziens met ons improvisoir ontbijt op de bankjes van het busstation (zie foto). Het werd een lange dag. Onze eindbestemming was Léon in Nicaragua en we moesten eerst de bus nemen naar Choluteca van daaruit de bus op naar een grensstadje (Guasaule) en daar dan uiteindelijk de bus naar Léon nemen. De eerste bus zou er vijf uur over doen en de zetels waren gewoon verschrikkelijk, precies of je constant een plank in je rug gespietst had. In Choluteca aangekomen een mini busje op richting grens. We waren nog niet goed en wel aangekomen aan de grens of het busje (dat nog steeds aan het rijden was) werd omzwermd door mannen die meeliepen met de bus en al lopend door de open ramen tientallen diensten aanboden of beter gezegd opdrongen. Voor we goed en wel uit het busje gestapt waren, lagen onze vier rugzakken al op twee fietstaxi’s en werden we langs alle kanten bestookt met voorstellen om geld te wisselen, terwijl sommige mannen zeiden dat we op de taxi moesten gaan zitten en anderen weer zeiden dat we dit beter niet deden en te midden van deze chaos moesten we proberen te converseren en te beslissen wat we gingen doen. We wilden liever wandelen naar de grensovergang, omdat we al de hele dag op de bus gezeten hadden, maar de man verzekerde ons dat het superver was en dat we echt niet wilden wandelen. Toen we toch aanstalten maakten van onze rugzakken te pakken tikte hij ons bijna op de vingers om te verijdelen dat we zouden ‘ontsnappen’ en ik moest mij bedwingen om niet kwaad te worden. Daar er echter nog tien andere kerels lang alle kanten voorstellen in onze oren riepen, besloten we gewoon op de taxi te gaan zitten en WEG, WEG, WEG van de zoemende massa. Het was best wel een grappig zicht en ik kreeg de slappe lach toen ik Chris en Chloé onder een felgekleurde parasol op hun rugzakken op en neer zag hobbelen, hotsend en totsend over de slechte weg (zie foto die zij van ons namen). Aan de grensovergang moesten we 10 dollar per persoon betalen, terwijl dit eigenlijk 6 pp moest zijn. We hadden geen dollars, dus vroegen we hoeveel het was in cordobas (de munteenheid van Nicaragua) waarop de beambte 380 op een papiertje krabbelde. Toen we dan uiteindelijk ons geld gewisseld hadden, wilde hij ineens de cordobas niet meer aannemen, hij wilde dollars en nog wat later was zijn prijs in cordobas ineens gestegen. Nog maar eens moeten duidelijk dat ze ons niet als domme toeristen moeten behandelen en op zo’n momenten ben ik echt blij dat ik het in ’t Spaans kan doen, da helpt echt veel. Pupla! Terug de fiets op, nu richting Guasaule waar de bus zou vertrekken. Het was natuurlijk helemaal niet zo ver als ze beweerd hadden en we waren precies op een boerderij-erf aangekomen. Tussen de geparkeerde chicken bussen liepen kippen, honden, katten, varkens en zelfs ezels en koeien en kinderen kris kras door elkaar. De mannen van de fietstaxi’s hadden ons gezegd dat we alleen een ‘propina’ (een fooi) moesten betalen voor de lift toen we gevraagd hadden hoeveel we zouden moeten betalen. Nu we waren aangekomen hadden ze natuurlijk wel een vast bedrag en dit was even hoog als de hele busreis richting Léon, veel te veel dus. We protesteerden en toen ze aandrongen wees ik hen erop dat ze ons bijna verplicht hadden van op de taxi’s te stappen en dat WIJ liever gewandeld hadden. De omstaanders begonnen allemaal te lachen, blijkbaar vonden ze het grappig dat we wilden wandelen, en de mannen dropen af. We hadden toch nóg het dubbele betaald van de gewoonlijke prijs bleek na een babbeltje met een vrouw op de bus…altijd hetzelfde liedje, wij zijn hier echt wandelende dollartekens.
De mensen zijn hier super vindingrijk. Deze keer was onze chickenbus uitgerust met een oude tv en dvd-speler die in een zelfgemaakt houten staketsel vooraan in de bus bevestigd waren (zie foto). Na een uur wachten, vertrok de bus en werd er een komedie afgespeeld waardoor de bus werd al snel werd gevuld met bulderende lachsalvo’s terwijl af en toe gestopt werd langs eetkraampjes en door de raampjes zakjes eten werden ingeruild voor wat cordobas.

Nicaragua, 14/1/2008, 4234 km afgelegd
Taal: Spaans
Munteenheid: Cordobas
Inwoners: 5,3 miljoen
Oppervlakte: 129 494 km²

We reden Nicaragua binnen door opvallend arme gebieden en zagen heel andere landschappen die we tot dan toe gewoon waren. We zagen in de verte een grote bosbrand die voor evenveel lichtpollutie zorgde als een grote stad en reden na twee uur eindelijk Léon binnen. Na in de taxi langs elke bancontact in de stad gereden te zijn en uiteindelijk één gevonden te hebben die functioneel was op naar de Via Via (weer van dezelfde Belgische keten als in Copán). Na de reis van 12 uur bus snakten we ernaar ons te kunnen neerploffen en ons vol te steken met eten. De Via Via zag er supergezellig uit en je kon er zelfs lekker eten, perfect dus! Het was echter weer hetzelfde liedje als in Copán…VOL! Aan de overkant van de straat was de Bigfoot al even charmant, maar ook vol…DAMN! Terug de taxi in dus en maar hopen dat een ander hostal dat de taxichauffeur wist zijn, zou meevallen. Na weer een stukje door de stad gereden te zijn, terwijl de prijs van de taxi al verdubbeld was, aangeklopt bij het volgende hostal...OOK VOL! We begonnen een beetje hopeloos te worden en ons humeur werd er niet beter op. Vierde keer goeie keer? En of! We werden vriendelijk onthaald in een niet zo speciaal hostal (dachten we) maar waren blij dat we onderdak gevonden hadden. ‘Lazybones’ was een nieuw hostal met nieuwe bedden en matrassen (yessss vannacht geen naar natte hond stinkend kussen!!!!), gratis internet, koffie en thee én EEN ZWEMBAD!!!!! En dat allemaal voor 7 euro pp/nacht. Ons grumpy humeur was onmiddellijk verdwenen en om het al helemaal goed te maken deden we ons tegoed aan een heerlijk avondmaal in de Via Via. Het was weer een vermoeiende maar geslaagde dag. De busreizen zijn een noodzakelijk kwaad, maar vaak ook de leukste stukjes van het reizen door alle fratsen die je meemaakt. De volgende dagen genoten we van onze oase van rust (’s morgens werd er klassieke en andere rustige muziek gespeeld aan het zwembad, eens iets anders dan de altijd abundante raggaton) en bezochten we Léon. De stad is duizend keer mooier dan zijn of haar broertje of zusje in het Noorden van Spanje…veel kleurrijke huisjes met schilderingen op de muren, levendige straatjes, veel gezellige barretjes en restaurantjes en vooral ook verschrikkelijk warm, veel warmer dan Honduras. De volgende dag wilden we (Chloé en ik) wat genieten van het zwembad en een boekje lezen, maar Chris kan echt niet stilzitten en dus na een voormiddagje luilekkeren dan toch maar op uitstap naar een soort vulkanische modderpoelen. Meer dan wat putten vol broebelende, hete modder waren het niet, maar de plaatselijke jeugd vergezelde ons en maakte er met hun vrolijk gejubel een leuk uitstapje van. Na drie nachten in ons superhostal trokken we richting Granada. Als deze stad er evenzeer in zou slagen zijn of haar Spaanse tegenhanger te overtreffen, zou ze echt wel heeeeel mooi moeten zijn. Niets was minder waar. Granada ligt aan Lago de Nicaragua (het enige zoetwatermeer met HAAIEN! ter wereld) en we verwachtten een soortelijk stadje als Léon, maar dan met de extra troef van het meer. We zouden verblijven in Hostal Oasis, een zusterhostal van Lazybones in Léon en verwachtten ons dus aan dezelfde luxe. Het hostal was echter niet half zo mooi en rustig en het zwembad was eerder een badkuip, tja we waren duidelijk verwend in Léon. In de stad hing een rare sfeer, ze miste de charme en het leven van Léon en bovendien liepen er rare figuren rond. Op de deur van het hostal hing ook een waarschuwing van ’s avonds niet alleen door de straten te lopen wat onze indruk er niet beter op maakte. We maakten de volgende dag een uitstap naar vulkaan Mombache (1345 m) om eindelijk eens een krater te kunnen zien…of toch niet? Er werd ons een prachtig zicht op de krater beloofd met op de achtergrond zicht op het meer en de kleine eilandjes. Eens een hoogte van een ±1000 m gepasseerd te hebben, reden we echter de mist in en die werd alleen maar dikker en dikker naarmate we verder reden over de supersteile weg. Boven aangekomen waren we precies in België beland. Onguur, grijs, koud regenweer en alles gehuld in de dikke mist. Het temperatuursverschil met beneden was ongelofelijk en we hadden natuurlijk geen truien of jassen bij, daar het in de stad misschien 35°C was. Toch maar aan de wandeling door het woud rond de krater begonnen en op de vele uitzichtplatformpjes op de witte mistmuur gekeken in plaats van naar het mooie uitzicht op de krater en het meer terwijl we bijna weggeblazen werden door de nogal snijdende wind (zie foto van ons vier). Na de wandeling moesten we nog een halfuur wachten voor de truck terug naar beneden vertrok. We wilden echter niet langer op de koude bergtop blijven wachten en besloten te voet naar beneden te gaan. De weg was echter zo steil, soms zelfs 40° denk ik, dat ik na drie dagen nog stijf was. De namiddag wat uitgerust en de stad nog een kans gegeven en een wandeling gemaakt om eindelijk het meer te kunnen aanschouwen. We hadden ons een diepblauw meer voorgesteld, maar het leek eerder de Noordzee…lichtbruin water en overal langs de oevers het gebruikelijke afval. Dat stoot mij hier telkens tegen de borst. De mensen hebben totaal geen respect voor de prachtige natuur en flessen, plastieken borden, zakjes, blikjes, etc. worden allemaal onverbiddelijk door de busraampjes naar buiten gegooid. Zo rijd je vaak door prachtige gebieden met schijnbaar ongerepte natuur, maar de weg wordt langs twee kanten afgeboord door stroken afval…Triestig! De stad had ons niet kunnen overtuigen, al had ze wel een mooie kathedraal een een aantal mooie straatjes, en we besloten de volgende dag reeds te vertrekken naar Ometepe (‘twee heuvels’), het grootste eiland ter wereld in een zoetwatermeer. Het eiland bestaat eigenlijk uit twee vulkanen die uit het meer oprijzen (zie foto plannetje). We namen de bus richting Rivas en daar stapten we over op de bus naar San Jorge en van daaruit een uur de boot op naar Ometepe. Daar aangekomen moesten we dan nog eens twee uur de bus op tot ‘El Encanto’ ons hostal op het eiland. Ik was meteen verkocht…We reden door prachtige groene dan weer dorre weidse landschappen, soms leek het zelfs of we in Afrika beland waren. Uiteindelijk zagen we het bord van ‘El Encanto’. We moesten nog 300 m wandelen door bos en kwamen daarna terecht in een sprookje. De huisjes stonden tussen perceeltjes met zelfgekweekte groenten en fruit, bomen, bloemen, helgroen gras en achter dit alles was er het zicht op het meer. Er waren nog maar twee bedden vrij voor die nacht, maar we wilden hier niet meer weg en er waren ook niet veel alternatieven, dus overtuigden we de eigenares (een Amerikaans/Australische die getrouwd was met een Nicaraguaan en met hem deze zaak was gestart) dat we best wel met twee een bed konden delen. Ze ging gelukkig akkoord en we nestelden ons met een pintje op het gezellige terrasje en speelden een spelletje ‘dubbele king’ (Birger die niet tegen zijn verlies kon, at de score op, haha, zie foto) waarna we ons tegoed deden aan redelijk Westers eten wat na twee maanden tortilla’s en nacho’s ook wel eens goed deed. We wilden hier misschien nog maar eens een vulkaan beklimmen en misschien fietsen huren en er was ook een soort bron waar je kon zwemmen, dus na een lekker ontbijt de volgende ochtend de wandeling aangegaan naar ‘Ojo de agua’. De wandeling alleen al was de moeite waard. Na anderhalf uur door mooie natuurlandschappen gewandeld te hebben en aan de ‘inkom’ 1 dollar betaald te hebben, moesten we nog door een maïsplantage en verwachtten we van om de hoek een prachtige natuurlijke bron te zien te krijgen. Ik grapte nog ‘sebiet is het weer een bron in de trend van de Fuentes Georginas’… het bleek waar te zijn. Het bronwater was ingedijkt in een bassin en kindjes vaarden met bootjes rond op het water dat wel kristalhelder was, maar wederom eerder aan Center Parcs deed denken dan aan een idyllische natuurlijke bron. We genoten niettemin van het heerlijke water en gingen daarna op zoek naar een plaats waar we fietsen konden huren. Naar huis teruggefietst na een deal gesloten te hebben met de eigenaar dat we de fietsen de volgende dag aan ons hostal mochten achterlaten in plaats van ze helemaal terug te brengen. De volgende dag nog wat rondgefietst en gezwommen in het meer, maar de laatste ferry terug naar het vasteland vertrok om 4 uur en we moesten dus al om 1 uur de bus nemen naar de haven. Ah ja ik zou het bijna nog vergeten, we zagen in de tuin van het hostal onze eerste levende slang in het wild. Het was een zwarte, niet-giftige (zei de eigenaar) slang (ik ben de naam vergeten) van een 2-tal meter denkik. We stonden er met een zevental mensen op te gapen en foto’s te nemen (zie foto, je moet goed kijken, ze is niet zo zichtbaar) toen de slang het beu werd en in beweging trad (SUPERSNEL trouwens). Het was of er een bom ontploft was… We liepen stuk voor stuk en tegen ons gezond verstand in (de man had ons verzekerd dat de slang niet giftig was) gillend en duwend weg en kwamen pas na een tiental meter nog steeds gillend (en het waren niet alleen meisjes) tot stilstand. HILARITEIT! Ik heb spijt dat ik het niet op film heb, het moet een heel grappig zicht geweest zijn…HAHA, ocharme die slang, waarschijnlijk de schrik van haar leven gehad! We hadden besloten van niet nog een derde nacht op Ometepe te blijven, omdat Chris en Chloé binnen een aantal dagen terug richting Guatemala moesten om hun vlucht naar Colombia te halen de 31ste januari en we nog wat dagen aan het strand wilden ‘chillen’ waar Chris ons zou leren surfen. Dit bleek weer maar eens aankomen in ‘Het Aards Paradijs’ (dat verveelt toch nooit) een camping/hostal (camping Matilda) op het witte zandstrand vlakbij het water en kei hoge golven (we hebben van de golven spijtig genoeg geen foto’s, hoe vreemd het ook mag lijken zijnde Mr .en Mrs. Fotofreak). Meteen het water in en in de hoogste golven die ik in mijn leven al heb meegemaakt gespeeld na onze zakken in ons ‘hondenhok’ (zie foto’s) te hebben achtergelaten. Er was hier op enkele huisjes en de camping na NIKS, dus ook geen restaurantjes, barretjes of winkels. Een keuken was er wel, maar je moest koken op vuur dat je zelf moest maken. Het leek ons dan leuker een vuur te maken op het strand en gingen inkopen doen in San Juan del sur (het dichstbijzijnde dorpje) om die avond woudloperskeuken te kunnen maken en eten te kopen voor de volgende drie dagen. We genoten van onze laatste dagjes en werden elke avond aan ons kampvuur vergezeld door ‘smokey feet’, een zotte hond die we zo gedoopt hadden, omdat hij door steeds naar gensters die uit het vuur sprongen te happen uiteindelijk met zijn poten IN het vuur terecht kwam…KAJIEEET!!! maar je moet niet denken dat hij daarna zijn les geleerd had hoor, neenee…hij bleef gelijk een bezetene naar de gensters springen en happen. De tweede dag wandelden we naar een ander strandje met betere ‘surfgolven’ en huurden daar een surfboard voor een dag. We waren echter nog maar tien minuten in het water of Birger kreeg het surfboard door een grote golf tegen zijn hoofd gekatapulteerd. Toen ik bovenkwam zag ik hem naar zijn hoofd grijpen en begreep dat hij de plank op zijn hoofd had gekregen, waar Chris ons voor gewaarschuwd had, maar ik dacht dat het niet zo erg was. Toen hij zijn handen echter van zijn hoofd weghaalde, hingen ze vol met bloed en al gauw gutste het bloed uit zijn hoofd. Heel zijn gezicht en borstkas werden nu overstroomd met bloed en hij kreeg nogal wat bekijks toen we het water uitkwamen… Hij werd meteen geholpen met een eerste hulp kit en er werd een hoofdverband rondgedaan. We moesten zo snel mogelijk naar het ‘ziekenhuis’, want hij had hechtingen nodig. Gemakkelijker gezegd dan gedaan wanneer je ‘the middle of nowhere’ zit. Pas anderhalf uur later eindelijk de laatste shuttle (er reden er drie per dag) naar San Juan del sur kunnen nemen en daar naar het ‘ziekenhuis’, dat gewoon een heel vuil kamertje bleek te zijn met twijfelachtige hygiëne. Omdat het al donker begon te worden, hadden we echter niet veel keuze en Birger werd dus onder handen genomen door de ‘butcher’ van dienst. Zes dikke vette zwarte hechtingen die volgens hem veel te hard aangetrokken waren (zie foto’s die ik btw van hem MOEST trekken voor jullie denken dat ik een masochist ben). We moesten zijn haar goed uitwassen en de volgende dag terugkomen voor een nieuw verband. Het zag er echter niet uit en we hoorden dat er een Amerikaanse dokter in een hotel in San Juan verbleef en trokken de volgende dag daar naartoe voor een tweede mening. Bleek dat ze zijden hechtingen gebruikt hadden die in Europa,USA, Canada,… verboden zijn en waarvan hier dus nog de overstock gebruikt wordt. Het ontsteekt naar het schijnt zeer snel en de raad van het haar te wassen had het alleen nog maar erger gemaakt, daar dit de kans op ontsteking verhoogt. Ze hadden hem dan ook nog eens de verkeerde antibiotica voorgeschreven. De dokter, een vrijwilliger die hier een dierenkliniek opgestart had voor mishandelde dieren (er zat o.a. een schildpad die door kinderen met een hamer bewerkt was), maar ook een diploma had voor assistentie bij operaties of zoiets, haalde de slecht geplaatste hechtingen er terug uit en dichtte de wond met een soort Bio-secondelijm. Drie dagen niet douchen of zwemmen en dan zou Birger terug als nieuw zijn… Al maar goed dat hij ons verder geholpen had, anders had Birger voor de rest van zijn leven een zoals de dokter het noemde ‘Frankenstein litteken’ gehad. Hij vertelde ons ook nog dat zijn voorraden allemaal donaties waren van Canadese en Amerikaanse ziekenhuizen en dat hij vorige week nog voor 4000 dollar aan instrumenten, ontsmettingsmiddelen, goede hechtdraad en dergelijke aan het ziekenhuis had gegeven, dat ze dus blijkbaar doorverkopen in plaats van het te gebruiken…dit is al bij al een derde wereld land! Hij vroeg ons geen geld (het ziekenhuis van de vorige dag was ook gratis), maar we schonken 20 dollar voor zijn kliniek, dat was het minste dat we konden doen… Al bij al dus een geluk bij een ongeluk, maar met het surfen was het dus tijdelijk gedaan. Hopelijk hebben we in Costa Rica meer geluk! We zitten nu nog voor een dagje in San Juan zelf en hebben juist afscheid genomen van de ‘Kanguru’s’…en toen waren ze nog met twee! Terug met zijn tweetjes dus, maar binnen tien dagen hebben we alweer bezoek. We genieten hier nog wat van het strand en van het stadje en trekken dan verder naar Costa Rica voor weer maar eens een nieuw hoofdstuk!

Veel groetjes en kussen
Sofe en Bielghiel (beste poging van de Kanguru’s om ‘Birger’ uit te spreken) wat ze dan omvormden tot het gemakkelijkere maar niet zo mooie Billy wat later zelfs plagerig Billy Jean werd… :o)

P.S. We hebben ook wat foto's uitgewisseld, dus ze zitten niet echt altijd op volgorde, de eerste foto's zijn bijvoorbeeld van de feestsavond in Utila...