zondag 10 augustus 2008

Bolivië, land van extremen...

Bolivie, 21/5/2008, 22 582 km afgelegd
Taal: Spaans, Aymara, Quechua, Guarani
Munteenheid: Bolivianos
Inwoners: 8,8 miljoen
Oppervlakte: 1 098 580 km²

Ik heb mij weer niet echt aan mijn belofte gehouden en de Boliviaanse editie van ons ‘maandblad’ weer veel lang aan de kant laten liggen, maar beter laat dan nooit zeker? Nu zet ik mij er dus aan op het moment dat we Peru reeds bijna achter ons laten.

Zoals ik mijn vorige verhaal beëindigde met het boeken van een tour naar Bolivia met als hoogtepunt de grootste zoutvlaktes ter wereld, pik ik terug in bij het begin van deze tour. We vertrokken ’s morgens vroeg uit het nog slaperige San Atacama met een caravaan van drie jeeps. Na een uurtje rijden zouden we de grens tussen Chili en Bolivia oversteken, een klein gebouwtje in het midden van de woestijn met het opschrift ‘Migracion Bolivia’ zou het wel wezen zeker? Er was zelfs een hefboom!!! (al kon je er wel gewoon omheen rijden, ‘t is ‘t gedacht dat telt zeker, hehe!) Ergens onderweg stopten we bij een warmwaterbron en pelden daar ironisch genoeg (het was echt wel kouuuud buiten) al onze warme lagen van onze lijven om ze te vervangen door bikini’s en zwembroeken. Het water was heerlijk warm en de omgeving was gewoonweg prachtig. Na hier geluncht te hebben terug de jeep in voor meer moois. We passeerden La Laguna colorada en La Laguna azul, reden door adembenemende (daar zat de hoogte ook wel voor iets tussen) landschappen en eindigden ’s avonds bij la Laguna roja, die door de aanwezigheid van rode algen haar kleur en bijgevolg naam verwerft. Normaal kan je hier grote groepen flamingo’s spotten, maar doordat het in deze periode van het jaar te koud is, waren er bijna geen flamingo’s meer… (hetzelfde verhaal als de pinguïns in Patagonia) spijtig, maar nog steeds mooi. We konden de flamingo’s ook geen ongelijk geven, het was hier echt wel IJSKOUD!!!! Soms moest je even checken of je nu op sneeuw of zout aan het wandelen was… Onze eerste overnachting was op één van de hoogvlaktes in een gebouw vergelijkbaar met een scoutslokaal en we voelden, eens uit de auto, al snel de significante invloed van de hoogte op onze lichamen. We zouden hier op bijna 5000 meter overnachten en dat stijgt letterlijk naar uwe kop! Barstende hoofdpijn en duizeligheid…toch maar even vragen naar een zakje Coca blaadjes... Voor tien bolivianos (80 eurocent) konden we een goed gevuld zakje kopen en we begonnen ons dus maar te goed te doen aan de beruchte blaadjes… Je steekt een aantal blaadjes samen met een beetje samengeperste plantenassen (die zorgen ervoor dat de alkaloïden beter vrijkomen) gelijk een hamster in je kaak en je speeksel maakt dan constant een soort ‘thee’ van het geheel die je dan constant binnenkrijgt. Het smaakt niet echt super (en de blaadjes ruiken eerlijk gezegd een beetje naar stinkvoeten), maar het helpt wel, dus hamsteren maar! Die nacht zakten de temperaturen tot een -15 à -20°C en in ons kamertje zonder venster (het raam was dichtgeplakt met een laken!!!) hadden we het zelfs met al onze kleren aan, een slaapzak en een stuk of zeven dikke dekens NOG koud! ’s Morgens was mijn 2 liter waterfles die ik in de jeep had laten liggen volledig bevroren…jawadde!!! We vertrokken redelijk vroeg en zagen die dag geysers (precies ondergrondse stoomlocomotieven die aan het werk waren), stomend hete pruttelende modderpoelen, el arbol del piedra (=de boom van steen), een rotsformatie die door winderosie omgevormd was in een opmerkelijke vorm, 400 jaar oude mosbollen en kruisten ook de spoorlijnen van de interamerica railway (een spoor dat naar de oneindigheid leek te leiden) en zagen vreemd genoeg nog redelijk veel leven op deze uitgestrekte, droge en koude vlaktes zoals vossen, lama’s, guanaco’s (soort lama) en schapen. We hadden een paar keer motorpech, maar dan kwam Clementje (onze gids) wel in actie om een band te vervangen of een plastic zakje tevoorschijn te toveren uit de ‘turbuditor’ of zoiets :o) De tweede nacht was de koud minder verlammend en de hoogte minder drukkend en dus speelden we met onze reisgenoten wat kaartspelletjes bij een glaasje wijn voor we ons in onze zouten kamer (zie foto van slapende Sophie) te slapen legden (het hele hotel was gebouwd uit ‘zoutblokken’ afkomstig van de nabijgelegen zoutvlaktes van Uyuni). Als je je tong uitstak kon je echt het zout in de lucht proeven…heel vreemd. De volgende dag zouden we landen op een volledige andere planeet (al is slapen in een zouten hotel ook al wel redelijk wizard of oz-achtig) en volledig weggeblazen worden door a whole lot of salt!!!

We reden redelijk snel na het ontbijt het begin van ‘el salar’ op en kregen van onze gids Clemente (een grappig oud verrimpeld boliviaans manneke) een uitleg over het ontstaan van deze witte vlakte die zich verder dan onze ogen reikten, uitstrekte. Miljoenen jaren geleden was dit een meer. Als je een gat groef, kwam je nog steeds redelijk snel aan water, wat ook vreemd was, omdat de lucht hier zo kurkdroog aanvoelde (mijn huid was na deze trip ook een woestijn en zelfs Birger vroeg naar ‘Libello’, zijn versie van Labello, wat hij normaal veracht). We reden een uurtje of twee door wit, wit, wit en nog eens wit tot het pijn deed aan onze ogen tot we aankwamen bij ‘la isla del pescador’, een cactusseneiland in de grote uitgestrekte platte witheid. We begonnen al meteen wat grappige foto’s te trekken (de typische foto’s die iedereen hier trekt (zie foto’s)), maar wilden ook nog naar het hoogste punt van het ‘eiland’ wandelen en dachten dat we later nog wel genoeg tijd zouden krijgen om van het zout te genieten. Toen we beneden kwamen wou ons Clementje echter al doorrijden. Hij beloofde ons dat we nog wel eens zouden stoppen ‘pawrrra tomoar photooos’ (hij sprak Spaans met een zwaar Aymara accent, één van de vier ‘indigene’ talen die nog gesproken worden in Bolivia). We stopten inderdaad nog een keer, maar eigenlijk had ik nog langer willen blijven en ik was echt ontgoocheld toen we niet op de zoutvlaktes lunchten, maar in een nabijgelegen dorpje waarschijnlijk om de inwoners de gelegenheid te geven mutsen, wanten, zoutkristallen en andere artisanale goederen aan de toeristen te verkopen. Deze (voor mij) te snelle afrekening met de zoutvlaktes zou mij blijven achtervolgen en je zal wel lezen hoe dat knagend gevoel uiteindelijk afliep…! Na de lunch bezochten we dan nog een ‘out of this world’ plekje, ‘el cementerio de los trenes (het treinkerkhof)’. Locomomotieven en wagons die hier al meer dan honderd jaar stonden te verroesten, maar na het verliezen van hun oude opschriften, modernere slogans opgeschilderd kregen (zie foto’s). Een van de grappigere vond ik ‘se necesita un mecanico con experiencia’ en dan eronder ‘urgente’ of ‘G W Busch, como este train terminaras’ en dan eronder ‘Fuck you’, tis maar da ge het weet George!!!! Na hier onze fototoestellen nog eens voor een laatste keer bovengehaald te hebben, bracht Clementje ons naar Uyuni ‘stad’. We hadden genoten van de tour en het bovenal overleefd (een maand eerder waren twee jeeps in het uitgestrekte niets opeengeknald waar een grote zwarte schroeivlek op het onschuldige wit nu nog het enige bewijs van was; de verhalen varieerden van een dronken chauffeur en de andere die in slaap gevallen was tot twee dronken chauffeurs die om ter langste bleven doorrijden en dan op het laatste moment dom genoeg dezelfde kant kozen…KABOEM!!! ... en negen toeristen konden het niet meer navertellen!) Ons Clementje was echter geen dronkenlap (zoals zoveel andere gidsen) en we hadden het leuk gevonden, dus we gaven hem een mooie tip en amai ik heb nog nooit iemand zo blij gezien en het ooooooohhhh geluidje dat hij uitbracht toen hij zijn fooi zag was gewoon onbetaalbaar!
Na een nachtje in het hoge (3675 m) en droge Uyuni de volgende ochtend de bus op naar Potosi, de hoogste stad ter wereld (4060 m). Voor ons vertrek ging ik op één van de typische indianenmarktjes nog een zakje coca blaadjes kopen daar we weer veel zouden stijgen en ik dacht aan een hoeveelheid zoals het zakje van tien bolivianos dat we op de hoogvlaktes gekocht hadden. Ik vroeg dus aan één van de traditioneel geklede vrouwtjes een zakje cocablaadjes van tien bolivianos en ik kreeg echt een gb-zakje vol!!! Op de hoogvlaktes hadden ze ons dus letterlijk in het zak gezet en hetzelfde gevraagd voor tien keer zo weinig. Het grappige was dat ik eens op de bus de Bolivianen kon voorzien van coca in plaats van andersom. Het was wel de meest helse busrit OOIT! Naast ons zat een mama met haar twee smerige kleine zoontjes. Ze hadden geen eigen plaats en stonden dus naast ons in het krappe gangpad waar ze door hun wagenzieke (of hoogtezieke) mama zoet gehouden werden met Fanta die constant uit een 2 literfles in hun vervaarlijk overhellende bekertjes geschonken werd; KLOTS, KLOTS, KLOTS. Als dat niet meer hielp, werden ze getrakteerd op de ene karamel na de andere (niet vreemd dat hun tandjes compleet bruin en verrot waren) die ze dan terug uit hun mond haalden om ermee te spelen… (almost get the picture?). De bus stopte constant langs de weg om meer oude vrouwtjes getorst onder onmogelijk zware gewichten op te pikken en zo het gangpad vol te proppen tot de bus echt stampvol zat. Uiteindelijk kwam het zover dat een van de plakkerige jongetjes op mijn schoot moest komen zitten terwijl de andere schaamteloos zijn 'becaramelde' vingertjes aan Birgers rugzak afkuiste en de wagenzieke mama naast ons ondertussen vrolijk verder (ocharme) plastieken zakjes vulde…(get the complete picture???!!!!) (om jullie en vooral onszelf achteraf het ‘reizen’ niet TE hard te laten idealiseren… :o) ) Toen de bus dan even stopte voor een pauze (die voor mij hoognodig was, als je begrijpt wat ik bedoel), werd de nachtmerrie nog erger. Ik heb mezelf nog nooit zo hard beklaagd dat ik naar het toilet moest gaan. Ik zal jullie de details besparen, maar het was gewoonweg WALGELIJK!!! Ja we hadden beschaafd en proper Chili en Argentinië duidelijk achter ons gelaten. Na deze acht uur durende nachtmerrie kwamen we eindelijk aan in Potosi, de stad waarvan de straten ooit geplaveid waren met zilver.

Potosi (4060 m) is de hoogste stad ter wereld en was ooit de grootse en rijkste stad van Latijns Amerika. Nu blijft er echter nog weinig over van de schitterende weelde van weleer. De stad wordt op vele manieren gedomineerd door ‘El Cerro Rico’ (letterlijk vertaald ‘de rijke berg’ (zie foto’s)), een berg ooit tot de nok gevuld met zilvererts en door hevige exploitatie zo uitgehold dat een deel ervan instortte. De Spanjaarden haalden het leeuwendeel van het blinkende erts binnen en hoewel de berg nu compleet ‘verarmd’ is, dalen duizenden mensen nog steeds dagelijks af in de onverluchte, diepe schachten van de ‘mensenetende berg’ (zoals hij door de locals ook wel genoemd wordt) op zoek naar een goede zilverader. Je kon de mijnen bezichtigen en jezelf door claustrofobisch nauwe gangen een weg wurmen naar de smerige, hete dieptes van de mensenetende berg waar ‘Tio’ (een soort duivel die erg gevreesd wordt en door het offeren van cocablaadjes, alcohol, dierenbloed,… op altaartjes voor angstaanjagende poppen goedgezind gehouden wordt) de baas is, maar wij verkozen dit toch maar niet te doen en in plaats daarvan de documentaire ‘The Devil’s miner’ te bekijken. Deze Duitse documentaire won vele prijzen en vertelt het verhaal van één van de honderden KINDEREN die in deze 21ste eeuw nog altijd dagelijks uit noodzaak in de mijnen afdalen om vaak nooit terug te keren, hun familie niet alleen achterlatend met veel verdriet maar ook zonder broodwinner…Hartverscheurend gewoon.

We merkten ook meteen dat we in het armste land van Zuid-Amerika waren terechtgekomen; veel bedelende kinderen die ik soms niet ouder dan vijf jaar oud schatte, vuile steden en mensen en alles was ineens ook ongelofelijk goedkoop (zeker vergeleken met duur Argentinie en Chili)! Ik kan natuurlijk niet zeggen dat het laatste ons stoorde, maar ik maakte het verschil waarschijnlijk wel goed door te proberen altijd iets te geven aan die kleine bedelaartjes, één van hun snoepjes te kopen of toch maar eens niet ‘no gracias’ te zeggen als je voor de duizendste keer gevraagd werd of je je schoenen wou laten kuisen. Zo deed ik een 13 jarige jongen, die naar eigen zeggen dit jobke al 6 jaar deed (en hij was er echt wel heel bedreven in, en deed echte goochelkunstjes met zijn borstels en doekjes) een plezier door mijn voet op zijn bankje te plaatsen.
Er was een soort volksfestival gaande in Potosi en verklede kinderen fleurden al dansend de straten op. De Bolivianen gebruiken naar ’t schijnt elk excuus om een feestje te vieren, en daar waren wij niet rouwig om. We bleven hier een paar dagen en waren steeds weer verrast door de moeite die het ons kostte een trap op te lopen of door één van de vele hellende straten van Potosi te kuieren…de hoogte laat je nooit gerust!! Ik dronk elke ochtend cocathee (ik deed een handvol coca blaadjes van mijn gigantische voorraad bij de gekochte kop thee) en we kauwden nog steeds wat af ook en stonken dus net zoals de Bolivianen uren in de wind naar het goedje. Het was hier ook nog steeds echt koud. In de dag in het zonneke warmde het wel op, maar je moest je hierdoor niet laten misleiden, want ’s nachts was het zonder pardon bitter koud!!!!! Tijd voor wat opwarming dus en op weg naar Sucre. Een stad met deze naam kan toch alleen maar goeds betekenen. De busrit was weer niet om over naar huis te schrijven, maaaaaaaaar aangekomen in Sucre werden we beloond met warme temperaturen (jaaaaahaaaaa eindelijk terug slefferweer) EN minder kortademigheid e.d. want Sucre, de constitutionele hoofdstad van Bolivia, ligt MAAR op een luttele 2000 m.

Tof stadje. Deed veel denken aan een Spaans of Frans kuststadje met zijn witte huisjes en rode dakjes. Er was wel vanalles gaande; protesten en optochten (afgewisseld met nog meer stoeten en festiviteiten, echt tegen elkaar op) van de omringende dorpen tegen de regering van de eerste Indigene president (Evo Morales) van Bolivia (zie foto’s). Honderden vrouwtjes met de typische lange vlechten, hoedjes en brede rokken (de vrouwen die aan de gemeente werkten, kregen zelfs dergelijk uniform met bijpassend hoedje, zie foto) en hun kleurige geblokte regenboogvlaggen trokken vreedzaam door de straten. Er waren verschillende zalige barrekes en restaurantjes in Sucre waar je heerlijk kon eten en verrukkelijke cocktails drinken voor echt GEEN geld…Dit was zoooo lang geleden, we konden ons geluk niet op….Daar het ons hier zo beviel dacht Birger eraan van hier een beetje Spaanse les te volgen om wat structuur te krijgen in zijn Spaans. Zo gezegd zo gedaan en vanaf die dag ging ik hem elke dag om twaalf uur aan de schoolpoort ophalen nadat de bel gegaan was (echt waar!!!!) en van de vrije tijd genoot ik dan om mijn vorig verslag te schrijven. We gingen in de buurt ook nog naar dinosauriërsporen (die door een aardbeving vrij waren gekomen) kijken en daar komen de anders onverklaarbare foto’s van lifesize dino’s vandaan. Echt een absolute AFRADER,…AFRIP niet normaal!!!!!! We gingen samen met een Belg (nog maar de derde die we op onze trip tegengekomen zijn en toch blijft iedereen zeggen dat Belgen zulk leuke mensen zijn, ik vraag me af waar ze ze blijven tegenkomen) en zijn franse vriendin. Die kerel, Matieux van Luik, was echt HET voorbeeld van de typische levensgenietende Bourgondiër en altijd met de glimlach op het gezicht. Een echte clown… Ik beeld me nu graag in dat DIT het beeld is dat buitenlanders van ons Belgen hebben en niet het touwtrekkend volkje waar ik nu eerder aan begin te denken…SOIT!!!! Nadat onze eerste tien dagen Bolivia een beetje bezonken waren in dit witgewassen paradijsje, had ik een echt ‘schuldgevoel’ opgebouwd over ons (voor mij) te kort bezoek aan de zoutvlaktes. ‘Tja’ zei Birger in een onbewaakt moment ‘we kunnen natuurlijk een omweg maken en er NOG eens langsgaan’ … Dat heeft hij zich beklaagd achteraf, want daar voegde ik dan aan toe ‘tja, we zijjjjjjjn natuurlijk nog steeds redelijk dichtbij (slechts twee helse busritten verwijderd) en wannéér zullen we hier óóit nog eens terugkomen? Misschien nooit????’ Eens die gedachte gevormd was, was er voor mij natuurlijk geen ontsnappen meer aan; we moesten en zouden teruggaan (en wie mijn koppeke kent weet al hoe dat verhaaltje afliep… :op). Na een omweg (op de nachtbus naar Uyuni werden we wel op een prachtige sterrenhemel getrakteerd, dus het was niet allemaal slecht) voor een grappige fotoreportage dan toch EINDELIJK -ZUCHT- (Birger) on the road richting La Paz, de hoogste hoofdstad ter wereld. Jaja Bolivia: land van extremen, ik zei het toch….

In La Paz aankomen was redelijk spectaculair moet ik zeggen. We reden vanop de uitgestrekte, lege hoogvlaktes over een ‘drempeltje’ zal ik zeggen en WAAAAAAAAAAAAUW opeens strekte de stad zich in een diep dal onder ons uit. Op sommige plekken leek ze als het ware met superlijm tegen de onmogelijk steile rotswanden geplakt te zijn...WAW! Officieel ligt de hoogste hoofdstad ter wereld op een duizelingwekkende 3660 meter, maar in La Paz zijn hoogteverschillen van 600 meter niet ongewoon, dus sommige stukken zullen wel veel hoger liggen. We kregen in ons hostal slash brouwerij (met huisgebrouwd Saya bier) twee torenhoge (zonder rellingeskes) stapelbedden aangeboden (om het lijstje van extremen niet te doorbreken?) en ik kreeg flashbacks aan die ene keer dat ik als klein meisje in Center Parc’s persé vanboven wou slapen in het stapelbed en natuurlijk ’s avonds mijn ouders deed opschrikken met een luide ‘BONK’… (neeeeee hou jullie gemakkelijke ‘aaaaaaah da verklaart veel’ moppen maar voor jullie!!!! :o) ). We besloten een stapje in de stad te zetten en te besluiten of we eerst een tour naar de pampa’s zouden boeken of eerst ‘the world’s most dangerous road’ (jaja land van extremen) zouden af mountainbiken (je daalt in een vijftal uur op de fiets af van 4770 meter tot 1100 meter). In het 100% natural eetcafeetje waar we lunchten, werd daar al meteen een gemakkelijk antwoord op gevonden: we kwamen Christine terug tegen, één van de Noorse meisjes die we kenden van onze zalige trip aan boord van ‘die Stahlratte’. Zij wilde zo snel mogelijk een pampa’s tour boeken vooraleer verder te reizen naar Brazilië. Voila, beslissing gemaakt! Die avond nog boekten we een pampa’s tour en een busticket naar Rurrenabaque van waaruit we dan meteen na de 18 uur durende busreis de tour zouden starten.

De volgende dag dus vroeg uit de veren om zeker onze bus niet te missen die om tien uur zou vertrekken….TEUTEBOLLEN! Wat had je gedacht? Om twee uur waren we NOG niet weg!!!! Typisch!!!! Het ergste is dat ze heel de tijd de motor laten draaien om de indruk te geven dat de bus vertrekkensklaar is en zo sneller mensen te lokken. Toen de chauffeur na vier uur wachten in de zwarte doemp dan EEEEINDELIJK besliste dat de bus vol genoeg zat, had ik mijn ‘yessss, veel plaats' illusie natuurlijk al lang moeten opbergen en met de staart tussen de poten terug naast Birger moeten gaan zitten voor wat één van de akeligste busritten OOIT zou worden…oh ja het kon NOG erger blijkbaar! Er was ons verzekerd dat de bus NIET de death road zou nemen en dit was voor de eerste vier uur ook niet het geval, dan nam ze braaf de nieuwe weg van La Paz naar Coroico. Na Coroico is er echter geen nieuwe weg meer (dit stukje informatie hadden ze natuurlijk NIET met ons gedeeld) dus de volgende 14 uur zouden we echt wel over een soortgelijke death road rijden (gewoon het verlengde van de oude weg)… OH MY GOD ik WILDE niet uit het raam kijken, maar ik kon het ook niet laten van WEL te kijken, alsof je toch ergens een controle uitoefent door te kijken. Op sommige momenten dacht ik echt dak het in mijn broek ging doen van de schrik wanneer ik uit het raam keek en geen weg meer zag, maar enkel honderden meters klif, RECHT naar beneden….Letterlijk een cliffhanger voor uren aan een stuk, de foor is er niks tegen! Langs de andere kant was het natuurlijk wel PRACHTIG. Jungle strekte zich tot in de uithoeken van ons gezichtsveld uit over prachtig golvende bergkammen, overal sproten wilde bananenplanten en andere tropische planten op uit de vruchtbare grond, terwijl honderden meters lager een riviertje vrolijk voortkabbelde langs eeuwenoude rotswanden zich onbewust van onze angstblikken zovele meters hoger. Vooral de momenten wanneer er tegenliggers waren en de bus achteruit moest manoeuvreren naar een breder stuk, waren zenuwslopend en de reacties van de locals waren dan ook niet erg geruststellend (als ZIJ al schrik hebben). De wrakken die we op de koop toe soms in de dieperik zagen liggen, maakten het er natuurlijk ook niet beter op!!! Voor geen geld zouden we nog terug op deze bus stappen!!! We zouden wel terugvliegen, whatever the price… Na een aantal uren zwetende handjes en klapperende tandjes begon de bus eindelijk af te dalen naar rivierniveau. Christine sukkelde (gelukkig voor haar) in slaap na al de spanning, maar na een kwartiertje 'normale' weg begonnen we weer te stijgen en was het zowaar nog erger als ervoor…AAAAAAAAAAAAH!!!! Ik kon het echter niet laten foto’s te nemen uit het openstaande raam (had redelijk paniekerig effect op Birger, mijn extra gewicht zou de bus wel eens kunnen laten omkantelen). Het was zoooo lang geleden dat we zulke prachtige junglelandschappen gezien hadden en de vochtige, tropische warmte gevoeld hadden die je in het gezicht slaagt van zodra je het busraampje opendraait…my god had I missed this!!!!! Het begon echter donker te worden en het met-de-blik-gecontroleerde-niet-in-de-dieperik-vallen zou dra dus onmogelijk worden (gelukkig misschien). Vreemd genoeg sliepen we nog redelijk goed (door al de spanning waarschijnlijk) en kwamen om zeven uur ’s morgens aan in het tropische Rurrenabaque. Prachtig klein Caribian style (ook al ligt het honderden kilometers van de Caribische Zee verwijderd) dorpje met met kinderkopkes geplaveide straten en omringd door prachtige bejungelde heuvels. Ik kon mijn geluk niet op. Dit was toch wel ECHT mijn ding en ik besefte nu pas hoe hard ik dit in Patagonië gemist had. We hadden nog een twee uur voor onze jeep vertrok, dus genoten van een welverdiend uitgebreid ontbijt alvorens op vluchtenjacht te gaan daar een rit 'vuelta' in de bus echt uitgesloten was, zoveel zenuwen kan een mens gewoon niet aan denk ik…

Om negen uur waren we al onderweg naar het plekje waar we de boot zouden nemen naar de ‘Ecolodge’ waar we twee nachten zouden blijven. Ons groepje bestond uit twee rare Ierse jongens, Sharon, een Zuid-Afrikaanse die in London woonde (en nogal goed kon zagen bleek achteraf), Christine, Birger en ik. Voor we de boot zouden nemen, kregen we lunch in een plaatselijk restaurantje en het was ook hier echt op zen Caribisch: soep, rijst, sla, kool, kip en bonene! Hmmmmm, boooooonnnnnneeeeeeen!!!!!!!! Aangekomen aan de aanlegplaats kregen we een gids en een bootje toegewezen en gaaaaaaaan!!!!! Niet normaal hoeveel aligators en kaaimannen er langs de kant lagen te loeren. Elke twee meter zag je wel zo een monster het water inplonsen of er misleidend langzaam uitkruipen. De gids zei dat er tussen het vertrek van de boot en de ecolodge een ruwe drieduizend zaten! Op een gegeven moment kwamen we op een plek waar roze, ja roze dolfijnen zaten…en nee we hadden NIET gedronken :o) ! De gids zei doodleuk dat we nu even mochten zwemmen met de dolfijnen, voor we verder zouden varen…. HEEEEEEUUUUUHHHHHM PARDON??? Zzzzwemmen????!!!! Ben ik nu compleet gek geworden of heb ik mij ingebeeld dat er hier naast de heel schattige, speelse roze dolfijntjes ook echt wel duizenden bijtgrage kaaimannen, alligators, pirañhas (want daar zouden we de volgende dag op gaan vissen volgens de brochure) en anaconda’s (want die zouden we ook proberen te spotten) in dit bruine erwtensoepwater rondzwemmen????!!!!! Jaaaaaaahaaaaaa, zei de gids, MAAAAAHAAAR die kaaimannen en alligators komen niet in het territorium van de dolfijnen en trouwens de alligators zijn sowieso niet gevaarlijk voor mensen wegens te klein, de pirañhas vallen alleen aan als je een wonde hebt, want komen gelijk haaien op bloed af (shit, Christine had dus een goed excuus om niet te zwemmen), en de grote kaaimannen die gevaarlijk kunnen zijn (van een 5 tot 6 meter lang) zaten hier zogezegd niet, maar enkel op plekken waar de rivier dieper en breder is en in de lagunes…hmmmm…. Met een héél oncomfortabel gevoel dan toch maar in het water gesprongen om dan met een zeer angstig gezicht en rug tegen rug (Christine heeft er foto’s van die ik spijtig genoeg niet heb gevraagd, maar die achteraf wel hilaaarisch waren om te bekijken) rond te spartelen in het water, wachtend tot een dolfijn met je zou komen spelen…en dat ‘spelen’ is dan ineens onverwacht met hun snuit of vin tegen je handen of voeten komen tikken onder water…echt heeeeeeeeeel, heeel plezant hoor (ironie oh ironie), want hoe kan je in godsnaam weten dat het een speelse dolfijn is die aan je poezelige voetjes zit en geen hongerige kaaiman/alligator/pirañha/anaconda???!!! Ja, een allesbehalve ontspannende bezigheid, maaaaaaaaar we kunnen nu wel zeggen dat we met roze dolfijnen gezwommen hebben!!! Nah!!! Of het het waard was mijn leven door de schrik met ettelijke jaren te verkorten laat ik in het midden. Natuuuuuuuurlijk zagen we vijf minuten nadat we verder vaarden een 4 à 5 meter lange kaaiman voorbijzwemmen, waar de gids zelfs van schrok en zelfs voor uitweek…jaja de grotere exemplaren zitten hier niet hoor, neeneeee…GRRRROMMMM!!!! Ik veronderstel dat er eerst eens een ongeluk moet gebeuren, voor het niet meer aangeraden wordt van met de dolfijnen te zwemmen…maar ja voor het mountainbiken van de death road geldt dit ook niet (elk jaar rijdt er wel een één toerist de dieperik in), dus…Wij westerse bangerikken hebben gewoon andere normen voor gevaar zeker…???

Aangekomen bij de ecolodge bleken de Ieren naast niet met ons aan één tafel te willen eten, ook al niet bij ons in de kamer te willen slapen. In plaats van op vrije momenten bij de rest van de groep te komen relaxen in de hangmatten (prachtige plek, zie foto’s), hingen zij ook altijd met twee rond bij de toiletten….ja hele rare jongens. Ze deden mij een beetje aan dumb en dumber denken ook. Ik maakte het er waarschijnlijk ook niet beter op door in een poging tot conversatie te vragen wat hun ‘eerste taal’ was, omdat ik dacht dat ze ‘welsch’ of iers ofzo tegen elkaar spraken. Toen hij eerder verrast ‘English’ antwoordde viel mijn frank niet echt en ik ging er verder niet op in. Bleek natuurlijk (daar kwam ik dan de volgende dag achter) dat ze helemaal geen welsch spraken tegen elkaar, maar gewoon voor ons onverstaanbaar engels…oh ik kon wel door de grond zakken ‘soooo, what is your FIRST language?’ die zal ook gedacht hebben…wtf? hahahaha!!!! We gingen die namiddag nog even de boot op om meer wildlife te spotten. Echt niet normaal eigenlijk hoeveel verschillende dieren je hier zag en in zulke hoeveelheden. We zagen naast alligators, kaaimannen en dolfijnen ook nog maraboes of jariboes, capibara’s; de grootste knaagdieren ter wereld (ja wederom die extremen eh) precies een vreemde kruising tussen een cavia en een geit (zie foto’s), waterschildpadden (die altijd hilarisch grappig op een rijtje op boomstammen in het water zaten), apen (howlers, squirrels en nog een soort waar ik de naam van ben vergeten), paradijsvogels, kingfishers en nog tientallen andere soorten vogels. ’s Avonds gingen we voor de zonsondergang naar een andere lodge, waar een gezellig familiesfeertje hing en ’s nachts maakten we met ons bootje nog een tochtje over de rivier om babyalligatortjes te gaan zoeken. Als je met een pillicht naar de oevers scheen zag je duizenden ogen kwaadaardig terugstaren, griezelig gewoon. Op plaatsen waar er dan heel veel ogen samen naar die vreemde wezens op het water staarden, had een mama alligator een tijdje geleden haar eieren gelegd en zat het jonge nageslacht nu voor de veiligheid nog steeds samen. De gids viste er een drietal baby’tjes uit die we mochten vasthouden…eigenlijk vond ik dit niet echt juist. De beestjes waren wel supergrappig en het was ook leuk van eens een alligator te mogen vasthouden, maar de gidsen zouden er toch voor moeten zorgen dat de dieren zo min mogelijk verstoord worden door het toerisme en dit niet juist in de hand werken? Ik denk dat dit besef hier nog niet doorgedrongen is en de gidsen zoveel mogelijk dergelijke dingen doen om tips te sprokkelen (hij toonde ons de volgende dag ook een litteken op zijn been waar hij door een kaaiman gebeten was toen een toerist op de foto wilde met een twee meter lange kaaiman rond zijn nek…ja KOMAAN????). Dit werd ook nog meer duidelijk toen we de volgende dag in de pampa’s (onderwaterstaande grasvlaktes) op zoek gingen naar anaconda’s. Na twee uur vruchteloos zoeken en ploeteren door de moerasachtige graslanden, waar Sharon zelfs pardoes met haar kont inviel, met nog meer gezaag tot gevolg (ik vond het stiekem eigenlijk wel grappig, hihi) spotte een toeriste twee parende exemplaren. Die werden meteen zonder medelijden uiteengestrengeld en doorgegeven van toerist naar toerist voor de foto, of je nu wou of niet. De gids legde één van de slangen rond de nek van één van de Ieren en omdat ze hem een beetje begon te wurgen liet hij haar hoofd een beetje losser, waarop zij evenzeer geen medelijden toonde en hem genadeloos in de vinger beet (gelukkig niet giftig, maar toch een vieze wonde). Ik wilde echt niet dat de gids die slang rond mijn hals wond (KOMAAN een Anaconda is en blijft een WURGSLANG) ook al was het MAAR een kleintje. Hij deed het natuurlijk tóch en ik vond het niet fijn om de slang zich langzaam maar zeker rond mijn hals te voelen aanstrakken elke keer ik mijn greep een beetje loste (zie foto)…Birger was één van de eersten die één van de slangen rond zijn hals gewonden kreeg en klaagde de rest van de dag over het feit dat hij naar slangenseks rook…Zijn handen stonken inderdaad naar zoo…en hoeveel hij ze ook waste hij kreeg de geur niet weg…dat was de wraak van de anaconda!!! Hahahaha!!! In de lagunes in de buurt zaten er volgens de gidsen exemplaren van twaalf meter lang die gemakkelijk een kind kunnen verorberen (en dit was naar’t schijnt al gebeurd ook…brrrrrrrr), overdrijven ze dan TOCH niet in die typische horrorhollywoodfilms????!!! Na al deze informatie kregen ze mij echt niet NOG eens de rivier in voor een onderonsje met een andere groep dolfijnen die namiddag. Birger waagde het er echter nog eens op en leeft nog, mist geen tenen, vingers of andere aanhangsels (al durfde hij niet pipi te doen, omdat hij schrik had dat een parasiet op de urine zou afkomen en zijn lichaam zou binnenzwemmen…..zo’n beestje bestaat wel degelijk en je moet er natuurlijk rekening mee houden dat het misschien niet zo onrealistisch zou zijn, moest dit beestje HIER leven…brrrrrrrrr!!!). Die namiddag gingen we op pirañhas vissen en haalden een goeie vangst binnen; twee zwarte zalmen, twee katvissen, een hoop sardientjes (die we dan als aas gebruikten toen ons vlees op) was en een tiental pirañhas….die we daarna heerlijk verorberden hmmmmm!!!!! Na deze heerlijke zelfgevangen lunch was het afgelopen met het avontuur en ook met het goei weer. Een koudfront had zich een weg naar ons heerlijk warm paradijs gevonden (zitten jullie daar voor iets tussen??? :op) en het begon dan nog te regenen ook (jaja ik heb sterke vermoedens!!!)…op de boot terug kon Sharon dus weer niet anders dan klagen en zagen (oooohhhhw this is hooooowwwrrrrrible!!!!). De twee Ieren waren hilarisch, want ze hadden geen jas of niks bij en deden heel de tijd van vooraan in het bootje pogingen, met verwoedde handgebaren en van de koud en regen verwrongen gezichten, om de gids sneller te laten varen wanneer hij even vertraagde voor een bocht of een mooie vogel…heel grappig!!!! Na het kouwelijke boottochtje en een hobbelige rit in de jeep, die veel langer leek dan in het heengaan (drie uur gezaag van Sharon!!!!), kwamen we uiteindelijk terug aan in Rurrenabaque. We hadden het geluk dat er de volgende ochtend op één van de vluchten naar La Paz nog plaats was. Het was de volgende nacht mijn verjaardag EN het zou zaterdagavond zijn EN je wordt maar één keer 25 EN we wilden nog wel even bij Christine blijven die zo snel mogelijk wou doorreizen dus sowieso de vlucht ging nemen….DUS we lieten Rurrenabaque dan ook maar voor wat het was, ook al hadden we graag nog wat genoten van de toffe sfeer in dit dorpje. Het weer zat toch ook niet mee, en dat gaf eigenlijk ook de doorslag, want zo een koudfront is blijkbaar ineens voor een paar dagen en dan blijft er van de Caribische sfeer ook niet meer veel over natuurlijk. Die avond gingen we nog met de hele groep eten en daar liepen Birger en Christine waarschijnlijk een voedselvergiftiging op die ervoor zou zorgen dat ik de volgende dag op mijn eentje met totaal vreemden mijn 25 ste verjaardag zou vieren…SNIK!!! :o) De vlucht naar La Paz was ook nog een hoogvlieger, letterlijk en figuurlijk. Hectaren en hectaren weelderige jungle waar de rivier zich als een bruin lint sierlijk een weg door slingerde. Dit tropische landschap ging dan geleidelijk aan over in de droge hoogvlaktes rond La Paz. Ongelofelijk gewoon, nog geen uurtje later stonden we weer 3500 meter hoger in de koud naar adem te happen…en te zeggen dat je er met de bus 18 helse uren over doet.

Het was nog vroeg toen we aankwamen in La Paz, dus ik legde de laatste hand aan de vorige blogtekst terwijl de anderen een dutje deden (dacht ik). Toen ik uiteindelijk naar de kamer ging, bleek Christine echter heel de tijd op en over het toilet gezeten/gehangen te hebben en Birgers vlag hing ook maar halfstok….Moest ik mij dus alleen klaarmaken voor het ‘heroes en villans’ feestje van die avond in ons hostal (we zaten in een echt partyhostal en elke zaterdag werd er een thema verkleedfeestje gedaan alvorens er in de vroege uurtjes naar één van de vele onder de cocaïnesnuivers zittende nachtclubs afgezakt werd). Ik kende aan het begin van de avond niemand (enkel Sharon, maar daar kwamen we eigenlijk toch niet zo heel goed mee overeen, viel het op? ;o) ), maar heb me toch rot geamuseerd!!!! (zie foto’s). Ik vroeg me toen we in de vroege uurtjes in Orange (een nachtclub) aankwamen wel af waarom iedereen mij toch zo aanstaarde, tot ik ineens doorhad dat iedereen zich omgekleed had vooraleer te vertrekken en ik dus nog als enige gelijk een carnavalszot rondliep…haha!!! De volgende dag was Birger beter en omdat het dan toch ECHT mijn verjaardag was, nam hij me mee naar een heeeeeerlijk Aziatisch restaurantje om lekker te smikkelen (merci Marc, Carine voor het betalen van de rekening, het was heeeeeeerlijk!!!mam en pap ook merci, maar jullie rekening zullen we een andere keer sturen en mijn verjaardag NOG eens vieren :o)

De volgende dag boekten we onze afdaling van ‘the world’s most dangerous road’, ook wel the ‘death road’ genoemd (de weg die de bus dus NIET meer pakt wegens te gevaarlijk en omdat er nu een nieuwe, veiligere weg is). Ik had toch wel mijn twijfels… Waarom zou ik in godsnaam, mij kennende, een mountainbike trip boeken op een weg met die naam????!!!!! In ons hostal liep er dan ook ‘als goed voorbeeld’ een kerel rond die zijn tong had afgebeten en zijn kaak op drie plaatsen gebroken had nadat hij over zijn stuur gevlogen was en een meisje met een gebroken arm (op drie plaatsen!!!)….Hmmm wist toch echt niet meer of dit wel een goed idee was. Je hoort ook allemaal horrorverhalen van bussen die over de rand rijden en zo tientallen mensen ineens de dood injagen of mensen die gewoon een metertje te laat remmen en hun fout niet meer kunnen navertellen… Birger wou dit echter persé doen, met of zonder mij, en ik was echt niet van plan mij een hele dag in doodsangst te zitten afvragen of hij wel of niet zou terugkomen en zo ja in welke staat, dus besloot dan nog liever doodsangsten te doorstaan op de FIETS….GELUKKIG!!!!! Ik vond het SUPER!!!! Prachtige landschappen waar we spijtig genoeg weinig foto’s van konden maken, wegens op de fiets en af en toe een ademstokkende blik in de dieperik (zelfs nog meer als toen in de bus, maar nu vanop een fiets en volledig vrij) twee meter aan onze linkerkant. Ik reed altijd in het midden, omdat de jongens sneller reden als mij en de meisjes trager. Ik leek dus steeds helemaal alleen door de prachtige jungle te rijden terwijl watervallen zich langs mij over steile rotswanden naar beneden stortten en het landschap van hoog en droog met de minuut vochtiger en tropischer werd. De weg viel ook goed mee. Je moest gewoon je ogen openhouden en niet te hard willen rijden. Tegen het einde toe viel er dan toch iemand van onze groep op zijn smikkel; een Hollander waarvan Birger zei dat hij het had zien aankomen, omdat onze Noorderbuur blijkbaar veel te snel reed en steeds de gids wilde bijhouden. Hij had naast redelijk diepe schaafwonden op zijn armen en benen ook een gat in zijn buik. Waarschijnlijk was een deel van het stuur daar naar binnen gegaan toen hij viel…IEEEUUUW! Achteraf hoorden we dat hij 27 hechtingen had gekregen in zijn buik…OEPS!!! Gelukkig was het niet zo erg dat hij meteen terug moest naar het ziekenhuis in La Paz, want dan zou het voor ons ook gedaan geweest zijn en zouden we de volgende twee weken niet de leuke ervaring hebben gehad die uit deze trip voortspruitte… Zijn fiets ging het dak op en hij de volgwagen in…
De laatste stop op deze ongelofelijke weg was in een animal refuge, ‘La Senda Verde’, waar we zouden lunchen en douchen om dan van daaruit terug de bus te nemen naar La Paz. Een heerlijk paradijselijk plekje in een dal naast een rivier, waar mishandelde dieren een toevluchtsoord gevonden hadden. We genoten hier van een heerlijk pastabuffet (zelfgemaakte pesto en pasta) en vroegen wat informatie over het werk hier aan Marleene, een Nederlandse die hier al vijf weken vrijwilligerswerk deed met haar vriend, Rudolf. Blijkbaar zouden zij bijna vertrekken en waren de eigenaars dus op zoek naar nieuwe vrijwilligers. Na terug in La Paz te zijn aangekomen begon het ons echt wel te interesseren daar te gaan werken. We waren na het door bureaucratie mislukte vrijwilligersproject in Cuba nog steeds op zoek naar vrijwilligerswerk en dit leek ons een perfecte mogelijkheid, al hadden we wel liever iets gedaan in verband met onze opleiding. Sara, een Zwitsers meisje die we kenden van de tour in de pampa’s en die ook in ons hostal zat, was ook geïnteresseerd toen we haar vertelden over onze plannen. Ik stuurde dus een mail naar de eigenaars van La Senda Verde (LSV) om te vragen of ze vrijwilligers nodig hadden. We kregen redelijk snel antwoord en toen ik hier niet meteen op reageerde al meteen een tweede mail of we de eerste mail wel ontvangen hadden. Ze hadden ons duidelijk nodig, dus besloten we maar van ervoor te gaan!!!! We leerden de laatste avond in ‘Wild Rover Hostal’ nog een andere Zwitserse kennen met de meest welklinkende naam ooit; ‘Lorena Plebani’ (prachtig toch? :o)), die toen we haar vertelden over de animal refuge superenthousiast was en ook wilde komen. We gaven haar de nodige informatie en vertrokken de volgende morgen met zijn drieën naar Coroico. De busreis was weer niet erg comfortabel en deze keer had IK iets verkeerds gegeten, dus was ik heeeeel blij toen we eindelijk in Coroico aankwamen en mijn plastieken zakje niet had moeten gebruiken. Coroico bleek een zalig relaxt stadje met gezellig centraal plein gesierd met een aantal palmbomen (eindelijk terug palmbomen!!!!!!). We namen vanuit Coroico een taxi naar ‘Het aards paradijs’ onder de schuilnaam ‘La Senda Verde’ en installeerden ons in de ‘vrijwilligerscabaña’. Rudolf en Marleene waren al weg, maar er was nog een vrijwilliger over, Jennifer, een Amerikaanse die ons alles zou uitleggen. We hadden er zin in!!!

We bleven hier iets meer dan twee weken en hadden een geweldige tijd. Ik heb een paar keer geprobeerd alle dieren te tellen en ik kwam altijd ergens in de zestig uit. Er wonen in 'La Sanda' konijnen, katten, honden, schildpadden, parelhoenderen, eenden, tien kapucijnenaapjes, een rode brulaap, drie spidermonkeys (die waren echt te schattig en grappig met een echt quick en flipke koppeke en één ervan was nog een baby en sliep bij de eigenaars in bed en als je dan ’s morgens als ze juist wakker waren aan het huis kwam, zag je haar soms nog lopen met haar pamper aan en een gat voor haar staart…ongelofelijk grappig!!!!), twee squirrelmonkeys, een boa constrictor, cavia’s (als vers voedsel voor de boa), een ezel, een alpaca (soort lama), een ocelot (wilde kat), papegaaien, ara’s, twee koati’s (wasbeer-achtige beestjes) een gebrilde beer en niet te vergeten MILJOENEN zandvliegen en dat was dan meteen het enige nadeel van dit paradijselijke plekje…Repellent was echt geen luxe, ze vraten je gewoon levend op als je je niet wapende.
Onze dagtaken bestonden erin de apen, vogels en schildpadden drie keer per dag te voederen met fruit, groenten en maïs en de huisjes van de apen schoon te houden en dergelijke. We bouwden zelf ook een ‘eetpaal’ voor twee ara’s die er nog geen hadden, maar waar alle loslopende apen en de koati’s ook altijd eten van kwamen roven. Etenstijd was altijd een uitdaging, want je werd constant belaagd door de apen en vogels die al te eten hadden gehad en de minder fortuinlijke dieren (de aapjes die aan de lijn zaten of de vogels die niet meer konden vliegen) wilden beroven. Lorena kwam de derde dag ook nog aan, dus we waren een vrolijk kwartet. Na de ochtendvoedering gingen we altijd wandelen met drie van de honden; Boris en Limon (twee golden retrievers geschonken door een familie die naar Amerika verhuisd was) en Flaka (een straathond door een reizigster uit Colombia meegenomen), die laatste was bij aankomst zo mager dat ze haar Flaka heetten wat mager betekent. Die ochtendwandeling was één van mijn favoriete momenten van de dag…het was hier zooo mooi en het was natuurlijk ook nog eens goed voor mijn conditie (we wandelden elke dag een 7 tal kilometer) die ondertussen gewoon onbestaand was. Op één van die wandelingen kwamen we de alapaca tegen die blijkbaar ontsnapt was en de drie honden begonnen er als gekken rondjes achter te lopen, wat hilarische taferelen tot gevolg had (zie foto). Zeker toen Flaka (echt een overmoedig klein hondje) waarschijnlijk in haar superheroe-hondenfantasie met haar in de hoofdrol niet besefte dat de alpaca misschien wel eens schrik had gehad van de twee grote loebassen (die de achtervolging allang opgegeven hadden), en niet van haar. Ze dacht blijkbaar echt dat ze de alpaca alleen aankon en maar blaffen, blaffen, blaffen tot de alpaca liet zien wie er ECHT de baas was… stoere SUPERFLAKA was SNEL weg zenne, om dan twee minuten later opnieuw te beginnen….hahah!!! Domme hond!!! Na de middagvoedering (12:ooh) hadden we tot ongeveer 15:00h vrij en lazen we meestal een boekje na een verfrissende duik in het zwembad of speelden we met de aapjes. Om drie uur kwamen de mountainbikers dan aan en moesten we uitleg geven over LSV en genoten daarna samen met hen van het heerlijke pastabuffet dat ik na twee weken echt nog steeds niet beu was! Om 17:00h moesten we dan opnieuw voederen en daarna snel de douche in (geen overbodige luxe, want na zo’n dag zat je onder de apenpipi en -kaka) en pyjama aan, eten en steeds redelijk snel onder de lakens, want hoewel het geen zwaar werk was dat we deden was het toch vermoeiend, om tien uur lagen we er meestal al in!

Het was heerlijk en we bouwden echt een band op met de dieren. Vooral dan met de honden, die in het verandaatje van onze bungalow sliepen en ons OVERAL, maar dan echt OVERAL volgden en met de kapucijnenaapjes, die ongelofelijk slim en soms bijna menselijk waren. Kimbo, een baby kapucijnenaapje, was niet normaal grappig en schattig en zorgde altijd wel voor hilarische momenten. De indrukwekkendste bewoner was echter de gebrilde beer, Coda. De dierenbescherming had hem als baby’tje op de zwarte markt van La Paz onderschept en zo was hij hier terecht gekomen. Ze hadden hem echter na een tijdje bij LSV moeten verhuizen naar een geheime plek, omdat de geldzieke eigenaar van een andere refuge al DRIE keer geprobeerd had de beer te STELEN. Die deed het dus blijkbaar echt niet voor het welzijn van de dieren, maar voor het geld (een beer betekent publiciteit, dus meer vrijwilligers, dus meer geld, want om vrijwilligerswerk te mogen doen moet je ironisch genoeg meestal betalen. Wij ook, maar wij wisten tenminste zeker dat dit geld naar de dieren terugging, de eigenaars van LSV, Vicky en Marcello, zijn gewoonweg schatten van mensen die echt het hart op de juiste plaats hebben). De beer was nog lang niet volgroeid, maar woog toch al 55 kilo en de man die nu voor hem zorgde had nu al moeilijkheden hem de baas te blijven, dus ik weet niet hoe dat gaat aflopen. De ‘pup’ heeft natuurlijk (nog) geen slechte bedoelingen, maar wil constant ‘spelen’ en beseft natuurlijk zijn eigen kracht niet als hij zijn baasje speels een duw of slag geeft met zijn vlijmscherpe klauwen. Ongelofelijk dat prachtige schijnbaar logge dier tegen een enorme snelheid een boom te zien inklauteren waar hij dan een tijdje bleef zitten en zich amuseerde door takken af te bijten. Waw, ik had nooit gedacht dit in mijn leven te kunnen meemaken, echt wel een ervaring!!! De bedoeling voor de toekomst is een heel groot stuk land af te zetten met hoge draad waarin hij dan vrij zou kunnen rondlopen. Ik hoop maar dat het goed afloopt, want Coda zal tegen dan een 150 kg zwaar bronstig mannetje zijn…Hem echt terug vrijlaten is bijna onmogelijk daar hij ten eerste gewend is aan mensen, wat gevaarlijk kan zijn voor mensen, maar ook voor hem (zou al snel doodgeschoten kunnen worden, het lot van zoveel dieren die roekeloos terug in de natuur worden vrijgelaten) maar ook doordat wilde mannelijke gebrilde beren een zeer groot territorium hebben, daardoor zou hem vrijlaten ook zijn dood kunnen betekenen door de repressailles van een ander mannetje tegen de plots opgedoken indringer…
Op een dag liepen we nog eens een oude bekende tegen het lijf. René, de Zwitser van ons avontuur in Patagonië, had ook de death road overleefd en bleef hier op ons aandringen een nachtje slapen. Die avond had Vicky ons ook uitgenodigd om samen kaasfondue te gaan eten in een Zwitsers (en dat met DRIE Zwitsers, wat een toeval) restaurant in Coroico. Het was heel gezellig en zo tof om weer eens iemand bekend tegen te komen. We gingen daarna ook nog met Rodrigo, de zoon van Vicky en Loretta, zijn Australische vriendin, naar een discotheekje en trokken grote ogen toen we zagen hoe hier gedanst werd; per twee in rijen die zich door de hele discotheek uitstrekten. Na een tijdje zei de dj ineens dat het ‘pauze’ was, waarop iedereen zich snel naar de kant begaf en de dansvloer binnen de kortste keren leeg was en iedereen geplet stond tegen de muren van het kleine vertrek. Rodrigo legde ons uit dat dit is om de meisjes de kans te geven een andere ‘danspartner’ te kiezen als de huidige hun niet echt aanstaat…Na een vijftien minuten was het dan wachten tot het eerste koppel zich terug op de dansvloer begaf (daar moest zelfs als beloning een drankje voor uitgeloond worden, anders had niemand genoeg lef)…kan je je zoiets inbeelden bij ons???? Het was een gezellige avond, maar de volgende dag moest René alweer verder en voor ons was het ook bijna afgelopen, het afscheid was nabij. Moeilijker dan ik dacht om al onze nieuwe dierenvrienden misschien voor altijd vaarwel te zeggen, al hoop ik dat we hier ooit nog eens zullen terugkomen…de toekomst zal het uitwijzen.

Voor de laatste keer terug naar La Paz dan om hier nog wat souvenirshoppen te doen en dan met spijt in het hart Bolivië achter ons te laten. We zouden morgen aan het Titicacameer zitten, ik kon het niet geloven, hier had ik al sinds klein meisje van gedroomd toen mijn tante mij over de Inca’s en Peru vertelde…Was eens benieuwd of de werkelijkheid aan mijn fantasie zou kunnen tippen, maar dat horen jullie dan wel weer in een volgende editie, want ik zie dat ik weer de reeds vertrouwde 11 pagina’s volgetypt heb. Tot de volgende keer maar weer dus!!!!

Dikke kussen van Sophie en Burger (het geheugensteuntje voor zijn naam zorgt ervoor dat mensen het geheugensteuntje onthouden en dan niet meer weten hoe het nu weer ECHT was….Burger dus)
P.S. Bolivië is en blijft nog steeds onze favoriet! Ik wil teruuuuuuuuug!!!!!!

P.P.S. Ons avontuur begint nu serieus te korten en binnen een dikke maand landen we alweer op Zaventem. Het kan dus zijn dat we niet meer veel tijd zullen hebben voor het updaten van onze blog…We zullen zeker nog de foto’s van Peru en Ecuador erop zetten, maar voor die van Brazilië zullen jullie dan misschien moeten wachten tot we terug thuis zijn, daar we een groot deel van de komende maand in 'den jungle' gaan zitten…de longen van de wereld, de brousse, de Amazone, het OERWOUD,.. en internet daar (gelukkig genoeg) nog niet bestaat!!! Tot zeer binnenkort dus en dikke kussen!!! SOBIE

woensdag 4 juni 2008

Ice Age + The Lord of the Rings = THIS IS THE REAL PATAGONIA!

Chili, 21/3/2008, 11 323 km afgelegd (zonder vlucht)
Taal: Spaans, Mapudugun, Rapanui
Munteenheid: Chileense peso’s
Inwoners: 16 miljoen
Oppervlakte: 748 000 km² land, 8150 km² water en 6435 km kustlijn

Er wordt weer serieus gevraagd naar nieuwe foto’s en tekst dus ik zal mijn pen nog maar eens scherpen en mij eraan zetten. Birger is naar de Spaanse les dus ik word verondersteld die tijd nuttig te gebruiken, maar het is zo’n mooi weer buiten en zoals je verder zal lezen (als je zover geraakt :op ), hebben we juist een lange periode in de kou achter de rug en voelt het nu alsof het eindelijk terug zomer geworden is….ZAAAAAAAALIG!!!!

Ik moet mijn ondertussen lang uitgesponnen draad terug oppikken in het luchtruim ergens boven Zuid-Amerika. Na de 213de uitleg over zuurstofmaskers, nooduitgangen, etc., een naar karton smakende maaltijd, een tussenlanding in Lima, de 214de uitleg over zuurstofmaskers, nooduitgangen, etc., een naar papier smakende maaltijd om drie uur ’s nachts eindelijk plakkend en stinkend geland in Santiago de Chile. We kozen een hostal uit de gids en hoopten tegen beter weten in (het was nog steeds Semana Santa) dat er plaats zou zijn. Daar aangekomen was het precies grote feest, alle lichten brandden en veel volk in de receptie, JEZZZZZ dachten we… het bleek al snel ijdele hoop!!!! Terug de straat op met al onzen BAZAAR en hopen dat we elders meer geluk zouden hebben! Er was blijkbaar één of ander punkoptreden juist afgelopen, want de straten waren alles bijhalve verlaten (zoals je om halfvier ’s nachts zou verwachten) en het was geen alledaags tafereel ook niet. Gekleurde hanenkammen, kettingen, piercings op de gekste plaatsen, combats, gescheurde broeken,… Normaal heeft een punker veel bekijks nu waren zij echter de norm en wij de uitzondering… en HILARITEIT toen de twee muilezels voor de derde keer langsliepen. Ja we hadden geen geluk deze keer, alles was gesloten ’s nachts. Enige oplossing: ons budget naast onze vermoeide lichamen neerleggen en een nachtje hotel ipv hostel. Het was duurder, maar we sliepen wel als na een klop van den hamer!!!! We bleven een aantal dagen in Santiago (in een spiksplinternieuw hoStel), en genoten nu het nog kon van de zon en van de warmte. We zouden onze sleffers dra voor lang mogen opbergen. Veel te doen hier! We namen onder andere een zeer toeristisch treintje naar boven op den beeee-reg en genoten van een prachtig zicht op de stad die van zo hoog heerlijk leek te soezen in de zon onder een dikke smogdeken. Ver in den decor en achter nog veel meer smog konden we met moeite enkele toppen van de Andes onderscheiden.

Ik vond trouwens dat het tijd was van eens naar de kapper te gaan, ik had het al veel te lang uitgesteld. Als je zou kunnen zien hoeveel ‘geplukte kiekens’ hier rondlopen dan zou je dit soort uitstelgedrag (dat normaal eerder met een nodig tandartsbezoek geassocieerd wordt) zeker begrijpen. We waren hier echter in een grote stad en het was al zes maanden (met veel zon, water en weer en wind) geleden, dus HOOG TIJD! Als ik geweten had hoe het zou uitdraaien, zou ik waarschijnlijk gewacht hebben tot in Buenos Aires. Ik moet er nog even bijvertellen dat het Chileens Spaans onmogelijk is. Het is heel onderhevig aan modewoorden en ook vele oude ‘indianenwoorden’ hebben zich knus genesteld in het taaltje, gevolg: ik had het niet verwacht, maar ik moest hier terug de trukkendoos van het begin van Sevilla bovenhalen. Als ik na drie keer Que? Que?! Lo siento, pero QUE?! het NOG niet verstaan had: glimlachen en knikken maar en dan maar hopen dat dit een juiste reactie is… haha! Ik had dit na drie dagen Chili en enkele basisconversaties nog niet echt door, maar na mijn bezoek aan de kapper….OH JAWEL!!! Ik heb in het midden van de knipbeurt echt STOP STOP STOP moeten zeggen. De kapster van dienst knipte veel te veel af en was druk in de weer met de uitdunschaar om mij waarschijnlijk ook te converteren in één van die geplukte kiekens. Alles wat ik zei verstond ze wel, maar dan antwoordde ze en kende ik in één zin maar drie woorden ofzo….wat een ramp! En heel den tijd ‘Esta cemado, esta cemado’ (letterlijk het is verbrand). Het is achteraf gezien allemaal nog wel goed meegevallen, maar enkel omdat ik ze int midden echt gestopt heb om nog eens duidelijk te maken hoe ik het wilde hebben met tekeningetje (fotoboeken had ze enkel van geplukte kiekens). Ik had door heel dit gedoe ook totaal de tijd uit het oog verloren en toen ik terug bij ons hostal kwam, was Birger (terecht) in alle staten, omdat onze bus richting eiland Chiloé binnen een halfuur ribbedebie zou zijn. In de haast geld verloren en mijn gekoesterde TOBLERONE reep die ik op de vlieghaven TIEN, ja u leest het goed TIEN dollar betaald had, vergeten…en natuuuuuuurlijk toch nog op de bus moeten wachten. We verschoten wel toen ze er eindelijk aankwam. Wat een luxe!!!! We hadden natuurlijk veel meer moeten betalen dan we in Centraal-Amerika en Colombia gewend waren, maar we kregen dan blijkbaar ook waar voor ons geld. Vanaf nu zou het twee maanden zo zijn. Chili en Argentinië zijn alles bijhalve ontwikkelingslanden vergeleken met wat we al gezien hebben en hierna nog zullen zien (ja ik kan nu natuurlijk in de toekomst kijken). Drie goeie recente films in de bus en zelfs een maaltijd!!! Die laatste natuurlijk van hetzelfde allooi als dat naar karton smakende ‘vliegtuigeten’, maar toch voelden we ons de koning te Frankrijk!!! Het was wel een verdomd lange reis, maar daar zouden we ook aan moeten beginnen wennen, het waren tenslotte MAAR 17 uur in totaal. Aankomen in Castro, Chiloé viel een beetje tegen.…gedaan met het mooie weer! Alle mutsen, sjaals en handschoenen en dikke truien terug van vanonder in de rugzak moeten gaan opgraven en de mensen en stuk minder vrolijk. We waren natuurlijk niks meer gewoon, want we zagen andere toeristen die juist van het Zuiden (waar het dus kouder is, en als je er dan begint bij na te denken gebruiken ze hier waarschijnlijk de voor ons vreemde uitdrukking ‘we trekken naar het warme Noorden’) kwamen in t-shirt met lange mouwen rondlopen. Ze moeten gedacht hebben, ‘amai die zijn ook ‘NIKS’ gewoon’…ze zouden eens moeten weten! Ge wordt het ZO snel gewoon…en het zal ZO moeilijk zijn van terug het tegengestelde gewoon te worden….oh ja, je mag er zeker van zijn dat we dat beseffen!!! We ontdekten ook meteen dat we al ‘buiten’ seizoen waren. De volgende dag misten we de enige bus die naar het nationaal park reed met een halfuur. We dachten negen uur is vroeg genoeg om te gaan en er zullen wel meerdere bussen rijden per dag… NOPPES!!! Een week geleden nog wel, maar nu was officieel het ‘laag’ seizoen begonnen en dus maar 1 bus per dag! We besloten dan maar van een fiets te huren en zo een beetje het eiland te verkennen. Wat een SLECHT plan! Van het moment dat je de grote baan afging was het gewoon pijlrecht naar boven. Mijn conditie is niet echt om over naar huis te schrijven, maar Birger geraakte ook niet boven, dus het was echt wel een beetje TE! Wel veel lekkere, superrijpe braambessen naast de weggetjes, dus daar deed ik mij dan maar aan tegoed als ik weer eens niet meer kon (wat wel een groot deel van de tijd was :o) ). De kerel van het hostal (een gewoon woonhuis met een aantal kamers) probeerde ons natuurlijk te overtuigen om de volgende dag toch nog het nationaal park te bezoeken en dus nog een nacht extra te blijven, maar we moesten nog altijd zo snel mogelijk naar het Zuiden en Castro had ons hart niet veroverd dus de volgende dag de bus naar Bariloche. Veel stress of we mijn zelfgemaakte lasagne over de grens zou mogen nemen (we hadden gehoord over strenge ‘voedsel’controles aan de grenzen), maar geen probleem. Het zijn volgens de Argentijnen enkel de Chilenen die lastig doen, en dat zou achteraf ook bevestigd worden (sorry T.Ro :op).

Argentinië, 28/3/2008, 13 288 km afgelegd
Taal: Spaans en Quechua in het Noordwesten van de Andes
Munteenheid: Argentijnse peso’s (origineel niet?)
Inwoners: 39 miljoen
Oppervlakte: 2,8 miljoen km²

Na een hele dag bus konden we ons dus aan de andere kant van de grens tegoed doen aan heerlijke lasagne (al zeg ik het zelf)…en eindelijk de mensen terug verstaan. De Argentijnse versie van de taal van de conquistador is niet enkel verstaanbaar, maar mijn tot nu toe favoriete versie (zelfs beter dan het origineel, sorry Vava). De Argentijnen spreken Spaans zoals Italianen Spaans spreken of eerder ‘zingen’ en veranderen alle J-klanken door een CH-klank en rollen heerlijk met hun RRR…ik vind het ongelofelijk mooi klinken. Bariloche lijkt juist met landschap en al opgepikt te zijn in Oostenrijk of Zwitserland en hier vervolgens neergeplant. Houten chalets, besneeuwde bergtoppen, ijskoude meren en de Argentijnse hoofdstad voor chocolade. Wij Belgen zijn op dat vlak natuurlijk veel te verwend om hier een HMMMMMMMMMMM ervaring te kunnen beleven, maar dat werd dan op een andere manier weer goed of HEEL goed gemaakt. Hoe? Wel tijdens ons eerste bezoek aan de supermarkt dachten we te hallucineren toen we enkele literflessen STELLA ARTOIS (HALLELUJAH, HALLELUJAH!!!!) naar ons zagen lonken vanuit de koelkast. Na eens knijpen in elkaars arm en het heerlijke besef dat de andere hetzelfde zag, konden we dus voor de eerste keer in zes maanden een onovertroffen Belgisch pintje in ons karretje leggen. Stella wordt hier sinds kort gebrouwen en is SUPER populair, ja hoe kan het ook anders natuurlijk? ;o) Eigenlijk kon Argentinië niet veel fout meer doen en we hadden Buenos Aires zelfs nog niet gezien… We waren nog altijd gehaast, dus de volgende dag meteen een lange wandeling/trektocht gedaan op en rond de toppen van het ‘grootste’ skioord van de Andes. Als het echt het grootste skioord was dan was het teleurstellend. Vier liftjes zagen we….hmmmm. Wel een prachtige wandeling, maar vermoeeeeeeiend. We hadden ook de kaart niet voldoende geconsulteerd, waardoor we in de helft terug moesten langs dezelfde weg, omdat het volledige parcours te lang zou zijn om nog af te leggen voor den donkere. Wel even vloeken (vooral bij mij dan, ik maak liever lussen), maar toch weeral een lesje geleerd voor de trektochten/wandelingen die nog zouden volgen. De volgende dag dus al (gehaast als we waren) de bus op naar El Bolson. Een oud hippiedorp dat vooral aantrekkelijk is voor reizigers door de ‘mercado de artesanias’. Al die oude (en jonge) hippies die hun zelfgemaakte kunst, sierraden, kleding,…te koop aanbieden op het centrale plein van het stadje. Hier kon ik eindelijk vervanging zoeken voor mijn ring die ik na zes jaar aan mijn vinger kwijtgeraakt was in de wilde waters van Belize. We oefenden hier nog maar eens ons klimmen, klauteren en stappen, stappen en nog eens stappen. We hadden blijkbaar toch niet goed (genoeg) onze les geleerd in Bariloche: verkeerd gelopen deze keer en daardoor het hoogtepunt van de wandeling (‘cabeza del indio’ = rots afgesleten in de vorm van een ‘indianenhoofd’) gemist. Het zelfgetekend plannetje van de eigenaar van ons hostal was blijkbaar TOCH niet zo accuraat (en in het begin was het nog zo veelbelovend, gedetailleerd juist). Toen we achteraf een foto zagen van de rots waren we al niet meer zooo teleurgesteld…je had wel HEEL veel verbeelding nodig om er een indianenhoofd in te zien! :o)

Nu zat het echte werk er aan te komen. Die avond zouden we de bus nemen naar El Chalten, wat per bus een 36 uur verder zuidelijk ligt als El Bolson. Die busreis zou de volgende maand reizen beïnvloeden. We zaten enkel met toeristen op de bus en toen we ’s ochtends wakker werden, konden we onze ogen niet geloven. Woestijn, woestijn, woestijn….zo ver je kon kijken. Geen bergen, geen bomen, geen rotsen laat staan huizen of dorpen…plat, plat, plat…uren aan een stuk en ook zand, zand en nog eens zand en dus STOF, STOF, VEEL TE VEEL STOF!!! De enige begroeiing waren kleine, droge struikjes ter grootte van een soepkom. We begrepen ook ineens waarom de bus ineens een paar klassen lager was. Geen verharde weg en superveel STOF dat door alle spleten en kieren de bus binnendrong. DIT was Ruta 40, oftewel de Route 66 van Zuid-Amerika, oftewel HELL!!!! Na een 20 uur rijden ineens in het midden van het grote uitgestrekte NIETS: een dorp. We dachten aan een plaspauze toen de bus stopte, maar neenee we zouden ons hier vier uur moeten bezighouden en wachten op een aansluitende bus. Niemand wist hier iets van, maar ja we moesten wel. Er was NIKS, maar dan ook NIKS in dat dorp, zo dood als een platte pier! We leerden elkaar (de andere toeristen op de bus) wel beter kennen en ontdekten dat we met een ongelofelijk grappige Japanner, Masashi genaamd, op de bus zaten. Toen we uiteindelijk na vijf uur wachten opgepikt werden door een nog krakkemikkerige bus en na nog maar eens een nacht dooreen gerammeld te zijn, werden we onder het stof bedekt wakker gemaakt door de chauffeur. Het was nog donker en vooral heel koud buiten, maar we waren blijkbaar aangekomen in El Chalten dus moesten de bus verlaten nu we EINDELIJK in slaap gevallen waren. Man, dit dorp was zo mogelijk nog kleiner als het vorige. Te voet en geteisterd door de ijzige wind op zoek naar een hostal. Aangekomen was er gelukkig plaats, maar mochten we nog niet op de kamers, dus besloten we iets heel moedig te doen (of toch wat ik moedig vind). Na twee nachten in een rammelige bus, weinig slaap en bedekt onder een laag stof raapten we toch de moed bijeen van naar Mirador de los Condores te wandelen om de zonsopgang op cerro (=berg of rots) Fitz Roy te gaan bewonderen. Normaal (als er geen wolken voor de zon zitten) kleurt die (Fitz Roy) prachtig oranje wanneer de zon er haar eerste stralen op werpt. We hadden niet zo veel geluk (er waren WEL wolken), maar het was toch heel mooi toen de eerste zonnestralen na een uur wachten de cerro Torre en cerro Fitz Roy deden oplichten (al was het dan niet in het oranje). We waren ondertussen toch al alles samen aan het doen dus besloten de zeven dwergen ook maar ineens van samen één van de wandelingen in de buurt te doen. Het enige dat je hier kan komen doen is wandelen en trekken, anders moet je hier niet zijn. We besloten dus de daad maar meteen bij het woord te voegen. Je kunt je inbeelden dat we aan het einde van deze dag, echt doodop waren! Het bleek een heel goed plan geweest van ’s morgens (eigenlijk was het nog ’s nachts) de Fitz Roy te gaan bewonderen, want voor de rest van de dag was het bewolkt en kregen we hem niet meer te zien. We waren pas terug toen het al donker was en die douche voelde beter dan een douche ooit gevoeld heeft denk ik, maar toen hadden we Torres del Paine nog niet gedaan natuurlijk. De wandeling die we gekozen hadden bleek prachtige, maar lang. Het was herfst, dus alle bomen waren prachtig rood, oranje, geel en groen gekleurd. Masashi bleek nog zotter te zijn dan we eerst dachten. Hij poseerde naakt aan een van de gletsjermeren (IIIIIIIIIIIIJSKOOOOOOOOOUD) en liet achteraf foto’s zien van op de zoutvlaktes van Uyuni en bij de beelden op de Paaseilanden….allemaal NAAKT (zie foto’s). Ik had op die wandeling ook de eerste echte AAAAAAAH-ervaring met een Amerikaan (die ook op onze bus zat) die onverbiddelijk stelde dat Amerika het beste land was en dat Amerika recht had op de macht die het nu op wereldschaal uitoefende, omdat het ons ‘volledig onzelfzuchtig’ geholpen had in WOII, waarop Masashi met zijn grappig Japans accentje antwoordde ‘I think he folgot about the (hij zette voor alle plaatsnamen en landen een ‘the’) Hiloshima and the Nagasaki’. We waren wel weer een grappig samengesteld internationaal gezelschap (België, Duitsland, Israël, Japan, US en Zwitserland).

Wij wilden de volgende dag al verder, René (de Zwitser) kon vreemd genoeg niet genoeg krijgen van de gletsjers en de bergen (ja krijgen wij ooit genoeg van frieten?) en wilde nog een dag blijven, Suska (de Duitse) bleef ook nog een dag om te rusten, de Israëli’s vertrokken al vroeg in de ochtend. Masashi vertrok na lekker uitgeslapen te zijn ’s middags met ons en wat Jason (de Amerikaan) zou gaan doen, kon ons allemaal niet schelen eigenlijk (oh zo gemeen). Volgende halte: Calafate: MAAR vier uurtjes bus verder en weer een dorpje met hoog ‘Oostenrijk-gehalte’. Hier zou ik begrijpen waarom in het hostal in El Chalten een papier op de deur hing met ‘slaapzakken STRIKT verboden’…. BEDBUGS!!!! Na de eerste nacht werd ik ’s morgens wakker met een aantal beten en de tweede nacht vond ik weliswaar twee van de bloedzuigers in mijn bed (zie foto) BAH!!!!!! Daar moet je dan voor in Argentinië aanbeland zijn (het kon dus toch nog WEL iets fout doen!?), misschien (nee zeker) één van de best ontwikkelde (wedstrijdje met Chili) landen van onze reis. El Calafate bestaat enkel maar omdat Argentinië dan dacht meer kans te maken de gletsjers toegewezen te krijgen waar Chili en Argentinië lang over gevochten hadden. De truc werkte en daarom waren we nu hier in Argentinië en niet in Chili om glaciar Perrito Moreno (de bekendste omdat het één van de enige gletsjers ter wereld is die nog steeds groeit (hij schuift tot 2m per dag op)) en zijn broertjes glaciar Upsula en glaciar Spegazinni te komen bewonderen. Ik kan veel woorden gebruiken om te proberen beschrijven welk gevoel het geeft van vanop een boot naar zulk een enorme (60 m boven waterspiegel) krakende ijsmassa te staan staren, maar je moet het toch met eigen ogen zien (ook foto’s zeggen niet veel vind ik). Op een gegeven moment kwam er op een 100 m van onze boot een enorm gevaarte uit het water opgerezen. Ik dacht even in een opname van een science fiction film beland te zijn, en een gigantisch monster uit het eerst zo onverstoorde wateroppervlak oprees. Een seconde later hadden we echter door dat er onder water (de gletsjer gaat onder het wateroppervlak door tot de bodem van het meer (180m!!!!)) een gigantische (zo groot als een huis) brok ijs was afgebroken die vervolgens naar het oppervlak was geschoten en nu met veel lawaai en druk watergespetter zijn evenwicht probeerde te vinden in het water (op één van de foto’s is het wateroppervlak nog niet gebroken en ligt het als het ware als een mantel over de ijsbrok, prachtige foto!). Dat was heel veel geluk hebben, en het maakte goed dat we in tegenstelling tot de anderen (Masashi en René die een dag later bij de gletsjer op bezoek gingen) geen gigantische brokken ijs van de gletsjer in het water zagen vallen (wel gehoord, maar net te lang geluncht om het te zien gebeuren, verdorie). We twijfelden een (dure) tour te doen en nog meer gletsjers en gletsjermeren te gaan bekijken. We komen hier waarschijnlijk niet snel (misschien nooit) meer terug dus besloten dan toch maar diep in onze zak te tasten voor dit ‘ijsfestijn’. De meren rondom de gletsjers hebben een typisch turkooisblauwe kleur door de aanwezigheid van kleine korrels gesteente die afgeërodeerd werden door de schurende werking van de ‘stromende’ gletsjer over de rotsen. Prachtig maar wel IJSKOUD!!! Ja wat wil je ook natuurlijk? We waren in het gezelschap van Harrold, een Hollander, en die kon (na mijn gezaag natuurlijk) supergoed die eekhoorn van Ice Age nadoen (zie foto waar hij op een rots in het water staat), en dat maakte het gevoel van in ‘Ice Age’ beland te zijn nog groter. Zo zot dat wij vandaag nog een stukje van de enorme ijsvlaktes die 10 000 jaar geleden letterlijk als ijs voor de zon verwenen, kunnen bekijken. Veel van de gletsjers (bijhalve Perito Moreno) zijn op tien jaar tijd echter enorm teruggetrokken en deze gletsjers en ijsvlaktes zijn naast betoverend ook de derde grootste zoetwaterreserve ter wereld, misschien toch maar wat meer de fiets pakken wanneer we terugkomen, zodat we toch ook ons steentje bijdragen tot het behouden van dit UNESCO werelderfgoed. Wij maken ons hier vaak druk over de roetzwarte rookwolken die je veel bussen (vaak degene waar je zelf plaats in moet nemen) hier ziet uitstoten. We fantaseren soms over projecten die we zouden kunnen opstarten om er iets aan te doen, maar ja, wie zijn wij? Het hoogtepunt van deze tour waren de gigantische blauwe (!) ijsbergen die overal rond de boot in het water dreven. Sommigen waren zo kunstig gevormd dat je bijna niet zou geloven dat dit natuurlijk gevormde stukken ijs zijn en geen sculpturen…al is de natuur zélf natuurlijk de grootste kunstenaar op aarde. Dat is ook iets dat we elke dag meer en meer beginnen inzien en met elke extra stukje wonderbaarlijke kunst dat we onder ogen krijgen, worden we grotere fans! Nadat Masashi en René ook hun portie ijs en ijkoud achter de kiezen hadden (de twee waren trouwens beiden op het kinderlijke af gek van ijsjes) besloten we samen de trek in Parque Nacional Torres del Paine te doen. Terug naar Chili dus en weer een mooie Chileense tweekleurige stempel in ons paspoort.

Chili, 1/4/2008, 15 291 km afgelegd
Taal: Spaans, Mapudungun en Rapanui
Munteenheid: Chileense peso’s
Inwoners: 16 miljoen
Oppervlakte: Oppervlakte: 748 000 km² land, 8150 km² water en 6435 km kustlijn

Nadat we een extra dag in Puerto Natales hadden gewacht, omdat het weer echt TE slecht was (sneeuwstormen en dergelijke), vertrokken we dan eindelijk voor ons avontuur. HET hoogtepunt van de vijfdaagse zou het opkomst van de zon aan de mirador van de drie ‘Torres’ moeten worden. Drie gigantische ‘granietpieken’ die op het moment dat de zon vanachter de horizon rijst, prachtig oranje ingekleurd worden (juist zoals Fitz Roy). We hadden echter tweestrijdige gevoelens met dit als het ‘hoogtepunt’ van onze trip te bestempelen, omdat al de mensen die terugkwamen voor wij vetrokken de drie torres NIET gezien hadden, laat staan drie oranje torres, omdat het weer zo verschrikkelijk slecht was. Eén jongen vertelde ons dat zijn tent onder water gelopen was en alles, inclusief slaapzak, was nat geworden. Er waren natuurlijk ook nog de verhalen over muizen die voedselvoorraden aangevreten hadden of tenten die kapot gewaaid waren. We waren gewaarschuwd en een gewaarschuwd man is er… vier waard in dit geval. Met een rugzak gevuld met een tent, slaapzak (2 voor mij), matje, eten voor vijf dagen (als je instantmaaltijden a la aiki noodles en oplossoepkes en -pastas eten kunt noemen natuurlijk), kookgerei, alle warme kleding die we hadden en natuurlijk veel chocolaaaaa gingen we op weg. Voor we onze eerste stappen op de platgelopen wandelpaden konden zetten, moesten we, sterren dat we zijn, nog even een interview geven aan een Chileense tv-zender. Toen Masashi aan de beurt was en gevraagd werd wat hij van Chili vond, was zijn antwoord ‘It’s leeeelly beautifull, but … it’s TOOOO LOOOOOOONG!!!!’. Dat werd onze slagzin voor de rest van ons gezamenlijk reizen…IT’S TOOOO LOOOOOONG of ‘Everything is possible, because we aaaare….IN THE REAL PATAGONIA!!!! Hahahah! De eerste dag was de zwaarste en ik kon op het einde echt niet meer. Met ‘glaciar grey’ die er rustig bijlag aan mijn linkerkant moest ik als het ware naar boven KRUIPEN met als vooruitzicht een koude tent, maar misschien wel een warme tas thee! Aangekomen bij onze eerste kampplaats meteen de tenten opgezet tussen plekken van nu gelukkig smeltende sneeuw en eten gemaakt. Tijdens het verorberen van de heeeeeeeeeerlijke instantpasta (ironie o ironie) mochten we even proeven van de pisco sour van een groep soldaten die hier kampeerden om op de nabijgelegen gletsjer reddingsoperaties te oefenen. Lekker drankje (ik denk dat ik het ooit eens heb mogen proeven bij Tante Fried, die het na één van haar Peru-reizen had leren maken)!!! Na het eten was er niet veel meer te doen dan de tent in te kruipen en warm proberen te worden. Het was zooooooooo ijskoud dat ik zelfs met al mijn kleren (inclusief thermisch ondergoed) aan en twee slaapzakken NOG koud had! Veel aan slapen werd er door mij dus niet echt gedaan (die Birger lag wel heerlijk te ronken) en dat zou ook niet echt beteren de komende vier dagen. Je doet zo een trek natuurlijk ook niet voor de comfortablele ‘bedden’, maar voor het moois de natuur te bieden heeft. Alles wat we te zien kregen was inderdaad prachtig en ongelofelijk ongerept (je zou bijna niet geloven dat hier per jaar 400.000 bezoekers de paden platlopen)! Mijn favoriete feit was dat al het water rondom ons drinkbaar was. We vulden onze drinkflessen dus gewoon met het heerlijke, maar ijskoude water van de voorbijkabbelde riviertjes. Kan je je inbeelden dat je in België gewoon even aan de Schelde zou kunnen gaan lurken als je dorst hebt? Niet zo een goed plan als je niet in het ziekenhuis wil belanden denk ik, zelfs gewoon zwemmen in de Schelde aan St. Anneke levert mij al een enorm jeukende huid op. Gelukkig ook dat dit water zo zuiver is, want anders hadden we liters water moeten meeslepen voor te koken en te drinken en dan weet ik niet of ik nog van de partij geweest zou zijn. De tweede nacht was er iets meer ‘accommodatie’ voorhanden, een shelter (niet verwarmd hoor) met gasvoorraad. We maakten handig gebruik van het extra gas (we hadden zelf gas bij, maar enkel om te koken) om water te koken, hiermee flesjes te vullen en deze te gebruiken om onze kletsnatte kleren (we hadden een enorme plensbui gehad onderweg en onze sokken, schoenen en broeken waren doorweekt) te drogen. Ik nam achteraf ook een aantal flesjes mee in mijn slaapzak en sliep opmerkelijk beter dan de eerste nacht (tot het kokende water afgekoeld was tot ‘koude’ lichaamstemperatuur). Ondertussen was nog maar eens gebleken dat Masashi zo zot was als een achterdeur. Hij kon goed Gollem (en nee, HIER zat ik voor niks tussen) imiteren en deed zo dit stukje Patagonie een heel hoog ‘Lord Of The Rings’ gehalte krijgen. Niet alleen de landschappen deden constant denken aan de prachtige Nieuw Zeelandse ‘decors’, maar ook deze metgezel die soms zo treffende Gollemimitaties deed dat je echt meende het monstertje achter je aan te treffen als je je zou omdraaien. We waren in tof gezelschap en lachten heel wat af. We zagen drie van ‘The Patagonian Big Five’, (een Ñandu (soort struisvogel), de Andescondor en een Guanaco (trekt op lama, zie foto’s)) maar ook woody woodpecker en veel van zijn vrienden uit het vogelrijk en ongelofelijk dikke muizen. Dit is hier echt den HILTON voor die onverschrokken knagers. 400.000 toeristen per jaar, de zakken gevuld met heerlijke etenswaren uit de buitenwereld, maken dat hier geen honger wordt geleden in ‘Mouseville’. Gelukkig bleven we gespaard van muizenuitwerpsels en –bloed (blijkbaar vechten ze ook wat af in de strijd voor de beste stukjes ‘menseneten’) in onze voedselzakjes en knabbelden ze zich ook geen weg door onze tent naar een vergeten chocolade- of mueslireep, een lot dat veel andere trekkers wel te beurt viel….BAH!!!!

Na vier dagen dagen en een kleine 70 km achter de kiezen, kwamen we aan bij de laatste kampplaats. Van hieruit moest je dan nog een uur naar boven klauteren naar de mirador de los ‘torres’ om de ‘torres’ te kunnen bewonderen. We deden het tot mijn eigen verbazing TWEE keer. Waarom tot mijn verbazing? Het was echt een superzware klim. Na de hevige sneeuwval en de daaropvolgende lichte dooi in de dag en vriezen in de nacht en de vele voetstappen van de andere wandelaars was het steile pad in een ware ijspiste getransformeerd! Het was echt een hels karwei naar boven klauteren, maar de beloning maakte het natuurlijk meer dan waard. Prachtig zicht op de drie ‘torres’ heel veel geluk gehad, het was indrukwekkend. Een paar Belgen hadden vorig jaar één van de ‘torens’ beklommen. Elf dagen om vanaf de voet de top te bereiken, ELF DAGEN! ELF dagen dus in tenten niet op de ijskoude grond, maar in de ijskoude lucht, met meters ‘niets’ onder je… Die Belgen toch, wie zei ook alweer dat ze de moedigste van alle Galliërs waren? :o) Wij voelden ons de volgende dag moedig genoeg om het supergladde ‘pad’ nog eens te beklimmen en werden beloond met een nog mooier oranje zicht dan de vorige avond, al moesten we wel even wachten daar er nu ook weer wolken voor de zon zaten en we dus niet de volledige lading kregen. Zelfs hier boven in de sneeuw zaten nog muizen kruimels te sprokkelen. Het was goed geweest en ik zou het liefst mijn zapper bovengehaald hebben om mezelf naar Puerto Natales en dus een warme douche en heerlijk vers eten te zappen. We moesten echter nog een dikke drie uur wandelen naar de plaats waar de bus ons terug zou oppikken…pfffffffffffffffff!!!!!! Ik deed de glibberige weg naar beneden op mijn poep en kwam voor de eerste keer in vijf dagen ergens EERST aan! PUPLA!

Op de bus werd al meteen wat gemiste slaap ingehaald (zie foto’s)…oh zo lekker WARM!!! Terug aangekomen in Puerto Natales werd een andere primaire behoefte met veel geschmikkel bevredigd. HEEEEEEEEEEERLLIJK smeuïge pizza, verse groenten en een pintje waren na vijf dagen oploskost en rivierwater gewoonweg GODDELIJK!!!!! Na nog een nachtje in alweer een door bedbugs geïnfesteerd hostal was het tijd om naar het einde van de wereld te vertrekken. We zouden drie grensovergangen moeten doen. Eerst Chili-Argentinië, dan Argentinië-Chili en dan terug terug Chili-Argentinië. De twee buren vochten over Tierra del fuego (=vuurland) namelijk een soortgelijk gevecht als over de gletsjers en losten het geschil op door het eiland in twee te splitsen. Onze bestemming was Ushuaia en om daar te geraken moet je dus eerst terug door een stukje Chili en nemen ze zich aan de grens echt nog de moeite om voor dat klein stukje busreis door Chili weer een (iets minder strenge) voedselcontroles te doen (terwijl we die morgen toch gewoon uit Chili vertrokken waren en heel de dag op de bus gezeten hadden, ja de wet is de wet zeker, maar soms is toch alle logica zoek).

Argentinië, 8/4/2008, 16 501 km afgelegd
Taal: Spaans en Quechua in het Noordwesten van de Andes
Munteenheid: Argentijnse peso’s
Inwoners: 39 miljoen
Oppervlakte: 2,8 miljoen km²

Na al dit bureaucratish gedoe eindelijk aangekomen in Ushuaia, de Zuidelijkste stad ter wereld! Gewoon al daarom trekken veel mensen naar deze uithoek van het continent, maar dit stadje is ook wel bekend als de ‘toegangspoort’ naar Antarctica. Het zou natuurlijk aanlokkelijk geweest zijn, moest het nog seizoen geweest zijn, dus misschien maar goed dat de laatste boot juist twee weken geleden vertrokken was. Je kan hier voor een ‘luttele’ 2000 dollar een tiendaagse reis naar Antarctica boeken, wat naar het schijnt het goedkoopst ter wereld is, maar zelfs moest het mogelijk geweest zijn, niet voor ons budget weggelegd. We bleven hier een aantal dagen, rustten uit van ons hike-avontuur, bezochten een aantal eilanden om zeeleeuwen te zien bekvechten (LETTERLIJK!!!! Zie foto’s) en zetten de bloemetjes nog eens buiten. Er was hier ook een nationaal park en we voelden het een beetje als een verplichting (ik dan toch) om één van de wandelingen te doen. Ik had echter even een overdosis gehad en de wandeling was ook helemaal niet zo spectaculair, het was dringend tijd voor een grote stad en ik keek heel hard uit naar onze volgende bestemming: Buenos FUCKING Aires (zoals de stad weleens genoemd wordt). René was zijn reis begonnen in Buenos Aires met een taalcursus en na een dikke drie weken samen reizen moest ons kwartet dus gereduceerd worden door een trio. Masashi besloot van mee met ons de busreis te nemen in plaats van een vlucht. Een vlucht zou goedkoper geweest zijn, maar we hadden nog één punt op ons ‘to do’ lijstje van Patagonia staan en dat was Peninsula Valdes. Iedereen heeft weleens die prachtige National Geographic documentaires gezien waarin orka’s zich op het strand werpen om één van de ‘zonnende’ zeeleeuwen van de voor hen waarschijnlijk gigantische bbq te plukken. Deze jachttechniek wordt door de populatie orka’s rond Peninsula Valdes gebruikt en ook nog ergens door een populatie in de Indische Oceaan. Er zouden maar tien volwassen individuen ter wereld verantwoordelijk zijn voor het aanleren aan het nageslacht van deze jachttechniek. Ook magellaanse pinguïns en zeeolifanten zouden hier te bewonderen zijn. Hier werd echter wel weer echt duidelijk dat we ‘buiten seizoen’ op bezoek waren. Er waren ongeveer nog drie pinguïns over van een normaal gigantische populatie, zeven zeeolifanten die zo ver lagen dat het evengoed een aantal grote hammen konden zijn, nog redelijk wat zeeleeuwen, maar die hadden we al van dichtbij bewonderd in Ushuaia en…..GEEN ORCA’S!!!!!! Verdorie!!!!!! Er stonden twee reporters van National Geographic uitgerust met gigantische lenzen al vijf dagen te wachten om de grootste jagers van de oceanen in actie te zien dus ja wij met ons uurtje ter plaatse hadden dan wel HEEL veel geluk moeten hebben. We zagen op de terugweg in de verte walvissen, of toch een vin hier en daar en af en toe een ‘sproeier’ en ook een armadillo die was afgekomen op de gesmoste worteltjes van een aantal pick-nickende Argentijnen. De landschappen waren natuurlijk ook hier ‘mindblowing’, als ik eens een engelse term mag gebruiken. Uitgestrekt en onorigineel (altijd hetzelfde) zijn ze toch op een andere manier heel mooi. Na Puerto Madryn (een extreem ongezellig stadje) en Peninsula Valdes het vervolg van de 3600 km tussen Ushuaia en Buenos Aires voor de boeg een dikke zesentwintig uur bus nog (de vorige dag hadden we achtentwintig uur op de bus gezeten). Ondertussen waren we het natuurlijk al wel gewoon en hadden we alle mogelijke slaaphoudingen al uitgeprobeerd en de beste onthouden. Birger neemt meestal een slaappil als hulpmiddeltje, maar ik heb het nog niet ‘gewaagd’. Deze busreis zou een eind maken aan ons avontuur in ‘THE REAL PATAGONIA’. Ik had mij Patagonië altijd voorgesteld als hele woeste natuur. Op een zeker niveau is dit natuurlijk ook zo, zo ongerept en uitgestrekt het is, maar ik had mij bergtoppen à la Zwitserland of Oostenrijk voorgesteld en eigenlijk was het minder spectaculair in dat opzicht. Ja je leest het goed, Patagonië, de Andes, MINDER indrukwekkend dan de Europese Alpen????!!!!! Hmmmm eerlijk? JA! Toen ik deze statement maakte, moest zelfs René, de Zwitser, (die eigenlijk enkel naar Zuid-Amerika gekomen was voor Patagonië en dus de wandelingen, terwijl hij thuis al niks anders doet waarschijnlijk) moest toegeven dat er wel wat inzat. De pieken van de Alpen zijn gewoon grilliger en lijken veel hoger. We hebben natuurlijk lang niet alles gedaan wat Patagonië te bieden heeft, maar dan toch de hoogtepunten en voor mij blijft het absolute hoogtepunt van deze hoogtepunten de torenhoge gletsjers. Zoiets hadden we nog NOOIT gezien…yezzzz voor de laatste keer THIS WAS THE REAL PATAGONIA!!!!!!

Nu op naar DE hoofdstad van Zuid-Amerika, het Parijs van Zuid-Amerika, de ‘wereldhoofstad’ van de tango, de thuisstad van de Bocas Juniors (waar Birger het al weken over had), ooit het hoofdkwartier van supersymbool Evita en nog zoveel meer!!! Alle reizigers zijn het erover eens…Buenos Aires ROCKS!!!! En het was ook zo! Ik wou hier gewoon niet meer weg! Ik zou ook ZO KNIP mijn koffers pakken om hier een tijdje te komen werken, wonen, whatever… bedenktijd zou niet nodig zijn. Vergis je wel niet. Als je van Buenos Aires een typische latino-sfeer verwacht, dan zul je teleurgesteld worden. Ook de armoedige sfeer die je je bij een grote Zuid-Amerikaanse stad inbeeldt, hangt hier niet in de lucht. Wim vroeg mij bijvoorbeeld eerder verbaasd toen ik zei dat ik Buenos Aires (de naam alleen al…) super vond of het dan niet arm en vuil was. Dit is echt niet zo. De stad is natuurlijk vuil zoals elke grote stad vuil is, maar de prachtige hoge gebouwen met overdadige versieringen doen eerder denken aan gebouwen op de Meir of in Parijs, Barcelona, Londen,…de stad doet met andere woorden zeer Europees aan. Het beperkt zich echter niet tot de architectuur en het straatbeeld, ook de Porteños (inwoners van Buenos Aires) zelf hebben veel ‘links’ met Europa. Zo hoor je veel Duitse achternamen en zie je veel blauwe ogen en bijna blond haar, iets dat je toch ECHT niet zou verwachten in Zuid-Amerika?! Er is natuurlijk NOG een aspect van de stad dat je dan wel weer onverbiddelijk laat voelen dat je op een ander continent bent…TANGO!!!!! Het is overal! Op straat, in de cafés, in de kleding, in de muziek….gewoon in de LUCHT! In San Telmo, de wijk waar wij in een prachtig oud herenhuis verbleven, was er elke zondag een antiek/vintage markt waar wij toeristen opgingen in het zondagse leven van de Porteños. Ze probeerden een centje bij te verdienen door het verkopen van oud zilver, stolpen, juwelen, vintage kleding, zelfgemaakte sierraden, versgeperste sapjes (met heerlijke ouderwetse persmachines, zie foto’s), de populaire voetbalbloesjes van de grote teams of gewoon t-shirts met leuke opschriften, oude grammofoons, … noem maar op. Anderen probeerden het op een meer artistieke manier en deden aan straattheater of verzonnen andere creatieve manieren om een centje bij te verdienen (mijn favoriet was een koppel dat een typische straatscène uitbeeldde, een stilleven, en elke keer je een centje in hun ton legde, veranderde de scene (heel origineel, zie foto’s, en heel winstgevend denk ik, want ze hadden VEEEEEL publiek en iedereen wilde het circus wel eens in werking zetten). En dan heb je natuurlijk nog die mensen die van de tango leven. Een stuk linoleum op de stoepstenen en HUP de dansvloer is klaar. Als ze al niet gewoon een show opvoerden werden er gewoon vrijwilligers (meestal Argentijnen) uit het publiek gevraagd die dan zelf mochten kiezen wat ze wilden dansen (er zijn veel verschillende stijlen tango). Ik krijg nu al heimwee als ik het allemaal beschrijf, ik vond het gewoon geweldig! We gingen ook naar een tango show, waar het natuurlijk veel glitter en glamour was, maar waar voor mij de charme van de ‘straattango’ ontbrak (tango zou trouwens ontstaan zijn in de rosse buurten van Buenos Aires en een middel zijn geweest zijn waaraan de mannen een ‘meisje’ kozen). Birger liet hier zijn kapsel onder handen nemen en had de eerste dagen net hetzelfde gevoel als ik in Chili (ik voel mij just een geplukt kieken, hahha!). We dronken ook de duurste capucciono ooit om te kunnen genieten van het zicht vanop het dak van één of ander duur hotel en gingen twee keer naar een optreden van La bomba del tiempo, een percussiespektakel in een leegstaande loods...niet normaal opzwepend!

De eerste avond al gingen we met een meisje van ons hostal (die tango aan het leren was) naar een ‘milonga’ (een plaats waar de Argentijnen komen om tango te dansen, zoals een discotheek, maar dan enkel met tangomuziek en tangodans) we gingen ook eten in een sushirestaurant, omdat we na al Masashi’s ‘cravings’ naar Japans eten, er zelf OOK heel erg zin in hadden gekregen. Voor Birger was het de eerste keer en hij was er ook weg van! Toen ik zei dat ik het zo spijtig vond dat we het niet zelf konden maken, beloofde Masashi mij dat hij mij zou leren hoe je sushi moet maken, en hij hield zijn woord. We gingen een dag de deur uit richting China- en Korea town en kochten daar alle nodige ingrediënten voor een waar (duur) sushifestijn! We nodigden ook Corneel (een Gentenaar die ik kende van Erasmus in Sevilla en hier (gelukzak!!!!) twee jaar extra kwam studeren in Buenos Aires) en zijn nieuwe Colombiaanse aanwinst uit in ons hostal. Ook Kaja, een Noors meisje dat we hadden leren kennen, nam deel aan het eetfestijn en zo hadden we een heerlijke avond met heerlijk eten….en nu kennen we dus alle geheimen van de edele sushikunst! YESSSSS!!!! Birger liet hier zijn kapsel onder handen nemen en had de eerste dagen net hetzelfde gevoel als ik in Chili (ik voel mij just een geplukt kieken, hahha!). We dronken ook de duurste capucciono ooit om te kunnen genieten van het zicht op de stad vanop het dakterras van één of ander duur hotel en gingen twee keer naar een optreden van La bomba del tiempo, een percussiespektakel in een leegstaande loods...niet normaal opzwepend!
Eén van de dingen waar BIrger ook al weken over bezig was, was een voetbalmatch van de Bocas Juniors. We hoorden dat tien dagen na onze aankomst de ‘Superclasico’ zou plaatsvinden. De derby tussen twee zeer rivaliserende ploegen van Buenos Aires: River Plate en Bocas. De tickets zouden wel heel duur gaan worden, want deze match heeft de reputatie de meest beladen voetbalmatch te zijn in heel Zuid-Amerika. JAWEL in heel ZUID-AMERIKA! Dit konden we dan toch echt niet missen!!! De hostal eigenaar, Oscar, waarschuwde ons echter wel dat de prijzen torenhoog zouden gaan en dat er kans was dat we geen ticket zouden vinden. Ik vond het geweldig, want onder dit mom van te wachten tot de match (iets dat BIrger echt heel hard wou) zouden we toch zeker twee weken in Buenos Aires kunnen blijven (iets dat ik heel graag wou). We wachtten en wachtten op nieuws over tickets tot de dag voor de match en Oscar had nog altijd geen tickets kunnen bemachtigen. Die dag kwam er echter een kerel langs het hostal die zijn tickets (zijn abonnementstickets) verkocht voor 400 peso’s (ongeveer 80 euro per ticket). We hadden afgesproken dat het maximum bedrag dat we zouden betalen 300 peso’s per ticket zou zijn. Nu die kerel hier echter stond met de tickets waar we eigenlijk al tien dagen op aan het wachten waren, konden we eigenlijk gewoon geen nee zeggen. Het feit dat Birger hier ook al twee maanden over bezig was, deed mij ook sneller de knoop doorhakken. We besloten dus maar van JA deze kerel heel gelukkig te maken en onszelf de trotse eigenaars te maken van twee tickets voor ‘El Superclasico’. De volgende dag was het al zover en Birger durfde zijn partijdigheid (boca’s speelde thuis, dus we zaten tussen blauw/geel) op geen enkele manier te laten blijken. AL het geld en de goede camera bleven thuis (niet meer dan logisch) en ik kreeg instructies van meneer Birger van toch maar mijn blonde haar onder mijn kap te verbergen, het zou maar eens provocatief kunnen werken (een beetje overdreven)….hahaha (het was van onze allereerste reisdag in Mexico City geleden dat hij dit nog eens gezegd had)! De schrik was achteraf gezien een beetje overdreven…Er heerste een goede sfeer in de straten van de Boca-wijk (havenwijk met heel veel gekleurde huisjes, zie foto’s). De supporters van beide teams werden duidelijk apart gehouden en ik heb mij geen moment onveilig gevoeld. Het grootste spektakel kregen we te zien voor en na de match (de match ZELF was trouwens niet zoooooo heel goed). Ik mag het nog eens zeggen, ZOIETS HEB IK NOG NOOIT GEZIEN!!!!! Een orgie van gezangen, krantenconfetti, blauwe en gele rookbommen, wimpels, ENORME (als ik 40 op 10 meter zeg, overdrijf ik niet) supportersvlaggen, gespring, geroep, gevloek (we hebben hier onze scheldwoordenlijst in het Spaans enorm kunnen uitbreiden),….en NA de match (1-0 voor Boca) natuurlijk de hete woede van de River Plate supporters die boven ons zaten (braken de plastic stoeltjes van de beton en probeerden Boca supporters te raken die onder hen met stralend lachende uitdagende dansjes deden (er werd één supporter geraakt in het gezicht die meteen hard begon te bloeden). Er ontplofte zelfs een redelijke grote ‘bom’ die één van de River Plate supporters dus toch door de redelijk strenge controle naar binnen had weten te smokkelen. Tijdens de match zelf werd er trouwens constant van daar boven naar beneden gerocheld, met dozen gesmeten en zelfs GEPIST (als ik het lelijk mag zeggen!). Het was echt wel het geld waard en ik ben blij dat ik het heb meegemaakt, ja en over Birger moet ik natuurlijk niet zeggen wat hij ervan vond….waarschijnlijk één van de beste ervaringen van heel onze reis voor hem, de sportGEK! :o)

Masashi die oorspronkelijk MAAR vier of vijf dagen in Buenos Aires zou blijven, was hier nu ondertussen al twaalf dagen…het werd nu echt tijd om afscheid te nemen. Masashi zou naar Brazilië trekken en daarna naar Europa vliegen (oeioeioeioeioei dat zou pijn gaan doen in de portefeuille) en wij moesten nu maar eens richting Bolivia beginnen trekken. Er was natuurlijk nog veel Argentijns grondgebied onverkend en we zouden dus nog één stop doen in Salta, maar dan zou het onverbiddelijk gedaan zijn met het mooie Argentijnse Spaans (Birger was ondertussen al het accent beginnen overnemen) en de alomtegenwoordige maté cultuur. We zouden Argentinië inruilen voor Bolivië en dat staat nu in mijn top drie (ondertussen al op 1 denk ik) van favoriete landen, maar dat wist ik toen natuurlijk nog niet. In Salta deden we een dagtour en werden voor de eerste keer tot (letterlijk) ‘headthumping hights’ (4770 m) gebracht. We kregen ook voor de eerste keer een zakje cocabladeren aangeboden om de symptomen van hoogteziekte te verminderen. Even voor alle mensen die de opmerking al gemaakt hebben dat we als drugsverslaafden gaan terugkomen: JA cocaïne wordt via een chemisch proces gemaakt van deze blaadjes, MAAR de blaadjes ZELF (dus in de chemisch ongemodificeerde toestand) zijn geen drug en dus NIET verslavend. De alkaloïden die vrijkomen door een paar gedroogde blaadjes gelijk een hamster in je kaak te steken zorgen er gewoon voor dat zuurstof (die op zulke hoogtes minder voorradig is) beter opgenomen wordt in je bloed. VOILA! Das ook weeral rechtgezet! Na een eerste kennismaking met het effect van bijna 5000 m op ons lichaam stapten we de volgende dag op de bus naar San Pedro de Atacama, voor de laatste keer de grensovergang Argentinië-Chili (we hebben die overgang in het totaal zeven keer gedaan, onze paspoorten zijn er het kleurige bewijs van!). Dus ook (hopelijk!) voor de laatste keer onze rugzak uitladen en een grensbeamte laten controleren of er tussen al die rommel geen schaap (of dergelijke) verstopt zit…GRRRRRRRR. Het was de mooiste busreis tot dan toe, maar de hoogte had mij te pakken. Ik voelde mij echt niet goed en kon dus de helft van de tijd niet van de PRACHTIGE uitzichten genieten. WAUW! WOESTIJN! WOESTIJN, WOESTIJN! maar op een gans andere manier dan in Patagonia. Woestijn zoals in de Jommekes albums!!!! Haha! Gigantische zandduinen door de wind gekneed in steeds veranderende vormen, afgewisseld met prachtige rotsformaties en overal ongelofelijke kleurschakeringen! Ineens was het echter gedaan met de kleuren en was alles WIT, WIT, WIT zo ver je kon kijken, we reden door een zoutvlakte, ongelofelijk !!!! (ik zal hier nog op terugkomen in het hoofdstuk BOLIVIE).

Chili, 15/5/2008, 22 482km afgelegd
Taal: Spaans, Mapudungun en Rapanui
Munteenheid: Chileense peso’s
Inwoners: 16 miljoen
Oppervlakte: Oppervlakte: 748 000 km² land, 8150 km² water en 6435 km kustlijn

In San Pedro de Atacama huurden we fietsen en twee ‘sandboards’ en gingen een namiddagje ‘zandboarden’ in de woestijn. We moesten eerst een uurtje rijden met de fiets om op deze verrukkelijk mooie plek in het midden van de woestijn aan te komen waar de stilte gewoon oorverdovend is! NIKS NIKS NIKS hoor je hier, maar dan echt NIKS, het is echt muisstil! Het sandboarden zelf was niet echt spannend (nogal traag, veel meer weerstand dan sneeuw natuurlijk), maar de zichten en bijhorende stilte die je er gratis bij kreeg van boven op die zandreuzen waren gewoon psychedelisch (zie foto’s). Ik was na een dag toch wel een beetje gewoon aan de hoogte (Birger had totaal geen last) en voelde me een stuk beter. We boekten hier driedaagse tour naar Bolivië met als hoogtepunt de grootste zoutvlaktes ter wereld en nog meer moois, maar dit is voor een volgend hoofdstuk(je)….wroeten jullie je eerst hier maar door!!!!

Dikke kussen vanuit La Paz! Bedankt voor alle verjaardagswensen (zo heb ik iedereen ineens!), en ik zal mijn best doen om het volgend hoofdstuk minder lang op zich te laten wachten (ik vind het hier heerlijk, dus heb meer inspiratie!)

Sophie en Birgir (nieuwe versie van Scandinaven, die blijkbaar wel Birgir als naam hebben, maar niet Birger)

donderdag 20 maart 2008

Pirates of the Caribbean

Costa Rica, 29/1/2008, 4687 km afgelegd
Taal: Spaans en Engels
Munteenheid: Colones
Inwoners: 4,1 miljoen
Oppervlakte: 51 100 km²

Costa Rica binnenrijden vanuit Nicaragua; het ene moment sta je in het armste land van Centraal-Amerika (zelfs 1 van de armste landen ter wereld) en hop een paar stempels extra in je paspoort en je staat in het rijkste. Grenzen stellen normaal niet veel meer voor dan een strakke lijn die getrokken wordt over de eerder ‘floue’ overgang die het overvloeien van het ene in het andere land karakteriseert. Hier is die lijn echter wel degelijk een duidelijke grens. Normaal word je aan de grensovergangen overvallen door zwermen locals die je op hun kar willen krijgen (dat weten jullie ook wel uit vorige edities) en ook al is dit soms heel irritant ondervonden we dat het totaal ontbreken van die zwerm misschien nog veel irritanter is. Géén chickenbussen, géén mini-busjes, géén opdringerige mannen die zonder vragen je rugzak al op hun bus leggen,… ZOEK HET ZELF MAAR UIT…hmmm tja een leeg loket waar we verondersteld werden een ticketje te kopen al gaf iedereen ons tegensprekende informatie. We zagen in de verte echter een vertrouwde chickenbus staan en dachten dus ons goedkoop en simpel vervoer gevonden te hebben, MIS POES! We moesten wachten tot de bus vol zat en daar ze achteraf gezien blijkbaar evenveel vroegen als de normale bussen, duurde dat heeeeel lang. Het was ondertussen echter pijpenstelen beginnen regenen we hadden weinig zin om onze zakken die we eindelijk van onze pijnlijke ruggen hadden kunnen gooien terug aan te gespen om vervolgens uitgeregend te worden. Wachten was dus de boodschap, geduld is een mooie deugd…en onmisbaar als je voor een jaar rondreist in laat ons zeggen ‘siesta-lievende’ landen. Uiteindelijk vertrok de bus naar Liberia waar we vervolgens een ticketje naar Tamarindo kochten aan een loket uitgerust met ultramoderne computers met touchscreen en daarna braaf één voor één in een mooie rij op de bus mochten stappen. Wat een wereld van verschil met de improvisoire ticketjes van Nicaragua en het duwen en trekken voor een plaatsje. Ook op de weg een duidelijk verschil: geen afvalbermen langs de weg de leuze van Costa Rica is niet voor niets ‘Costa Rica, Pura Vida’. Onze bestemming voor die grensoverschrijdende dag was Tamarindo, een stadje aan de Pacific Coast, populair bij surfers en zoals we bij aankomst meteen ondervonden…AMERICANOS! De naam ‘Tamagringo’ zou het stadje niet misstaan. Eigenlijk bestaat het dorpje gewoon uit een winkelstraat volgepropt met chique boutiques en surfverhuurshops allemaal zonder uitzondering uitgebaat door buitenlanders (zelfs Belgen!). We vonden het niet meteen hartverwarmend, maar het stadje groeide wel op ons, of de omringende stranden dan toch tenminste. Birgers hoofdwond was inmiddels tot litteken gereduceerd, dus we beproefden ons geluk nog maar eens en huurden een surfboard bij een landgenoot. In Nicaragua was er na het bloederige voorval niet veel meer van surfen in huis gekomen. De golven waren hier veel minder hoog en Birger was in het begin erg teleurgesteld ‘Alééééé da zijn hier kei kleine golven!’. De praktijk leerde echter dat deze kleine golfkes perfect waren voor ons beginners. Toen we het surfboard de volgende dag inleverden, vond Meneer Birger het een goed plan van naar een zeer populair surfstrand, ‘Little Hawai’ genoemd, te wandelen. Hij had op een kaartje gezien dat hat niet zo ver was, dus ik stemde in. Toen we na ettelijke uren uitgedorst en roodverbrand (desondanks verwoedde insmeerbeurten) nog altijd niet aangekomen waren aan het voor mij toen al vervloekte strand werd duidelijk dat ze op het (zelfgetekende!!!) plannetje met de verhoudingen gesjoemeld hadden om alles op het bord te krijgen (GROMPFFFFF!). Na een verfrissende plons en een al even verfrissend pintje zag het strand er inderdaad wel heel mooi uit en de mascotte van het strand, LOLA een negenjarige GIGANTISCHE zeug, werkte op de lachspieren toen ze ongegeneerd een ‘plaske’ (lees overstromingsgevaar) kwam doen op een paar meter van onze handdoek (zie foto), Spider Pig, Spider Pig!!!! We hielden het een paar dagen uit in Tamarindo en maakten de dure overnachtingen in het goedkoopste hostal dat we konden vinden goed door elke avond zelf te koken.


Tortuguero, een stadje in één van de nationale parken van Costa RIca bekend voor de zeeschildpadden die hier op het strand hun eieren komen leggen, stond niet op het programma van ons bezoek (mijn ouders) die een week later zouden arriveren. Omdat dit wel op ONS ‘to do’ lijstje in Costa Rica stond, namen we na enkele dagen Tamarindo de bus richting San José om vandaaruit een excursie te kunnen doen naar dit schildpaddenparadijs. Zeven uur bus later zetten we voet aan grond in San José. Een wandeling bracht meteen aan het licht dat deze stad ondanks de titel ‘Capital de Costa Rica’ geen charmes te bieden heeft. We wandelden naar het ‘aangenaamste park’ (volgens de Lonely Planet) van de stad en daarmee was meteen de toon gezet daar dit het zieligste parkske was dat ik ooit al gezien heb. We genoten dus maar van de faciliteiten van ons hostal (restaurant, bar en disco op het dak met zicht op de stad, gratis onbeperkt internet en een zwembad) tot we twee dagen later naar Tortuguero vertrokken. Toen we de bewuste ochtend om zes uur klaar stonden om door de bus opgepikt te worden, moesten we wel even onze lach inhouden. Het busje (een luxe-exemplaar met grote, hoge ramen en een uitstekend werkende airconditioning à dit zijn we NIET gewoon) zat vol met gepensioneerde Canadezen en Amerikanen uitgerust met fotocamera’s, verrekijkers, de typische toeristenvissershoedjes, t-shirts met het opschriften à la ‘Costa Rica, Pura Vida!’ en LAST BUT NOT LEAST sandalen met witte sokken…OH JAWEL! Halverwege begon één van die Amerikanen al ‘van zijnen tak te maken’ (om het op zijn Antwerps te zeggen). De gids vroeg of we geïnteresseerd waren in een bezoek aan een botanische tuin op de weg en hij antwoordde botweg naast haar vraag ‘ik wil de bananenplantage bezoeken!’. Toen bleek dat we de plantage zelf niet konden bezoeken vanwege de veiligheid (er vliegen constant vliegtuigen over die de plantages besproeien met pesticiden), maar er wel zouden stoppen, vloog hij uit dat hij de tour ENKEL en ALLEEN geboekt had voor het bezoek aan de bananenplantage van Chiquita die ze hem beloofd hadden!!! Toen hij uiteindelijk stopte met razen, heerste er een pijnlijke stilte in de bus. De gidse die vooraf gedetermineerd bleek te zijn om tof en grappig gevonden te worden (fooi, fooi en nog eens fooi) was ineens opvallend stil (daar ging de fooi). Na een uurtje stopten we inderdaad bij de plantage en kregen we een korte rondleiding, maar mochten we gewoon niet te diep in de aanplantingen wandelen. Blijkbaar was de Yankee toch tevreden en bood zelfs zijn excuses aan de gidse aan, die meteen haar queeste naar fooi hervatte door het maken van flauwe grapjes en het stellen van nogal schoolreis-achtige vragen, Brrrrrrr. We reden na deze stop langs kilometers en kilometers bananenplantage (nu weten we waar onze chiquitas vandaan komen) en kwamen uiteindelijk aan bij het haventje vanwaar een bootje ons naar Tortuguero zou brengen. Het dorp ligt op een landengte tussen de Caribische Zee en één van de vele natuurlijke kanalen die het natuurreservaat rijk is, is omsloten door natuurreservaat en bijgevolg enkel per boot bereikbaar. Dit zorgt voor grappige taferelen zoals bevoorradingsboten die volgeladen met WC-rollen door de jungle varen. We werden verdeeld over verschillende hotels naargelang de prijs die we betaald hadden (wij het allergoedkoopste en bijgevolg als enigen in onze categorie met het enige andere niet-gepensioneerde koppel). Het werd een eenvoudige maar gezellige guest house waar een typische Caribische sfeer hing. De dochtertjes van de eigenaars hadden een niet zo aangename (nogal pijnlijke) interesse in mijn haar (zie foto). We bleven hier twee nachten en deden een aantal excursies in het natuurgebied (te voet en per boot) en zagen heel veel wildlife, van Jezus Christ Lizards (die kunnen over het water lopen, vandaar hun naam) tot luiaards, pijlgifkikkers, blauwe krabben, ‘army-ants’, leguanen, apen, tarantullas (!!!!), schildpadden (al was het geen broedseizoen en zagen we dus geen schildpadden eieren leggen op het strand), kaaimannen, toekans en ontelbaar veel verschillende watervogels. Krokodillen kregen we niet te zien, maar dat zou een paar dagen laten griezelig goed goedgemaakt worden. Toen we na een eerste uitstap een ‘zwemmetje’ gingen doen in de Zee (die overigens heel wild was) werden we uit het water geroepen door een local die ons waarschuwde voor verraderlijke stromingen en voor het feit dat er ‘BULLSHARKS’ zaten (SLIK!). Had ik mij eindelijk een beetje over mijn ietsiepietsie overdreven angst voor haaien gezet (al ken ik ergere gevallen :o) ) en dan noemen ze mij bijna roekeloos omdat ik tot iets boven mijn middel in de Zee ga (Birger zat wel wat dieper), ASJEMENOU! Tortuguero is omgeven dus door water, maar langs de ene kant loeren de krokodillen en langs de andere kant de haaien, veel aan zwemmen wordt er hier in deze ‘water world’ ironisch genoeg dus niet gedaan. Na een toffe driedaagse terug boot en bus richting San José waar om drie uur mijn ouders zouden landen.




De taxi bracht ons van ons hostal (waar we onze bagage hadden achtergelaten) naar het eerste hotel in maanden. We werden door mijn witte ouders bewonderd voor ons bruin vel (héhéhé) en genoten van een gezellig maar kort eerste avondmaal omdat ze heel moe waren van de lange vlucht. De volgende ochtend onze blinkende 4x4 opgepikt die de komende twee weken wel degelijk van pas zou komen (tot grote vreugde van een stralende papa :o) . Voor een keer moesten we eens niet zelf uitzoeken waar we naartoe zouden trekken, er was goed over nagedacht en veel over gelezen en de eerste kant en klare bestemming was Quepos. Terug naar de Pacific Coast dus, waar het nu droog seizoen was en dus een dorre stoffige bedoening in vergelijking met de groene, weelderige Caraïben. Ze hadden een vouchersysteem gekozen en ik moest dus eerst altijd bellen naar het gekozen hotel om te reserveren en dan volgden we de wegbeschrijving naar het gekozen hotel waar we dan betaalden met de vouchers. De wegbeschrijving naar ons eerste hotel vermeldde een ‘beruchte brug’ van waarop je krokodillen zou kunnen zien liggen zonnen in de rivier eronder. Eerst zien en dan geloven dachten wij. Na de loze belofte krokodillen te zien in Tortuguero hadden wij niet meer veel geloof in het zien van zulke uitzonderingen voor gelukzakken (of ongelukzakken, afhankelijk van de situatie ;o) . Verschoten wij ons daar even een bult toen we vanop het zeer smalle voetpadje van de brug, waar vrachtwagens en auto’s over SCHEURDEN, in de dieperik meer dan twintig MONSTERS zagen liggen. Deze beesten waren precies weggekropen uit National Geographic documentaires waarin je opengesperde monsterlijke muilen uit het water ziet opreizen en zich vervolgens ziet sluiten rond de hals van de dichtstbijzijnde ongelukkige Gnoe. We vroegen ons terecht af waarom die krokodillen er zo dikdoorvoed uitzagen en allemaal juist onder die brug lagen. Misschien zat het ‘Restaurante Cocodrilos’ naast de brug er voor iets tussen, een verklaring die ik liever wil aannemen dan de veronderstelling dat er te pas en te onpas wel eens iemand over de akelig lage reling zijn evenwicht verliest en die krokodillen gewoon VEEL geduld hebben…BRRRRRRRRRRRR!!!! Het was wel een raar contrast deze koelbloedige wilde dieren onder een druk bereden brug terwijl wij in de oase van rust van het natuurreservaat Tortuguero, waar in de verste verte geen auto te bespeuren valt, enkel een babykrokodil te zien kregen. Mijn ouders waren meteen gerustgesteld door de zinderende hitte op de krokodillenbrug. We hadden ze toch wat ongeruste blikken zien uitwisselen over de temperatuur in San José (dat op een tweeduizendtal meter ligt) en ons precies niet echt geloofden toen we zeiden dat het aan de kust niet te doen was van de hitte. ’s Middags stopten we bij een chique hotel waar we lunchten en een prachtig zicht hadden op de tropische jungle die zich vanaf onze voeten uitstrekte tot aan het azuurblauwe water van de Pacifische Oceaan. We genoten hier van een heeeeeerlijke lunch en ik en Birger waren verbaasd dat het eigenlijk helemaal niet zo duur is om in zo’n duur hotel als niet-gast te lunchen, iets dat we zeker moeten onthouden. Na nog een uurtje of twee rijden kwamen we aan in ons hotel en genoten meteen van de luxe van een zwembad, al was het water van het zwembad zo warm (echt badtemperatuur), dat het niet echt verfrissend meer was. We reden nog wat rond op bergachtige weggetjes in de buurt en vonden een zalig barretje om van de zonsondergang te genieten en waar ‘Piña Colada’ gedoopt werd als de cocktail van dit verlof. We vonden op de weg ook een wegwijzer naar een hotel dat in de brochure stond en bovendien zicht op de Oceaan had, dus we boekten dit voor de volgende avond en legden meteen ook een vistrip vast. We vermoeden dat de overvriendelijke bazin van dit hotel een deel van het bedrag dat ze ons vroeg voor de trip in haar eigen zak stak, maar kom…het werd een geweldige dag! Niet alleen het plezier van met een motorboot langs de prachtige kust te varen, maar dan daadwerkelijk ettelijke vissen te vangen (Jacks, Needlefishes en Makreel) en achteraf trots onze vangst te mogen meenemen, was echt SUPER! Op de koop toe zwommen er in het terugvaren enkele dolfijnen een eindje mee met de boot wat het helemaal AF maakte. Weer een vinkje meer op onze lijst van gespotte dieren. We vingen ettelijke Makrelen en namen er drie mee terug naar ons hotel in de hoop dat ze die voor ons zouden willen klaarmaken. Ons mama moest zich bedwingen om niet te vragen of ze ze zelf mocht klaarmaken. Ze maakten ceviche (een heerlijke viscocktail met ajuin, limoen, tomaat en paprika) en daarna nog een voorgerechtje waarop dan nog een schotel volgde die ik echt helemaal niet meer opkreeg, maar het was wel lekker, en heel VERS! De volgende dag moesten we een behoorlijke afstand afleggen over kiezelweg, dus besloten we de mangroves van het nationaal park te laten voor wat ze waren en meteen door te rijden naar Sierpes. Het volgende hotelletje was een heel persoonlijk hotel uitgebaat door een Italiaan en zijn Costaricaanse vrouw. Toen we de laatste wegwijzer volgden naar Hotel Veragua kwamen we tot stilstand voor een wel heel smal bruggetje. Ik zei: ‘ja die pijl staat hier niet voor niks, we moeten erover’ wat een lachsalvo van de andere drie tot gevolg had. ‘Alé SOPHIE! Daar kunde toch niet overrijden met een auto, wa zégde gij nu, dat is een voetgangersbruggetje!!!’ Na drie kwartier vruchteloos rondgereden te hebben, moesten ze mij dus toch gelijk geven toen mama en ik (terwijl Birger en papa op prospectie waren en zo doende bijna levend werden opengereten door een woeste Rottweiler) een grote pick-up over het krakkemikkige brugje zagen rijden. Ik moest toegeven dat het er niet erg aanlokkelijk uitzag en vooral niet erg gezond klonk. KRIIIIIIIEEEEEEUUUUUUUEEEEIIIIIIWP!!!!! We moesten er echter over om bij ons hotel te geraken dus kroop papa moedig achter het stuur (terwijl wij wijselijk uitstapten) voor de hachelijke oversteek. De brug zakte gevaarlijk hard door en maakte een vreselijk geluid, maar de auto inclusief papa kwamen heelhuids aan de overkant aan. Bij het hotel aangekomen vertelden ze ons dat de overheid al jaren een nieuwe brug beloofde, maar dat het er nooit van kwam. Waarschijnlijk moest er eerst ECHT iemand met auto en al door die brug zakken voordat er daadwerkelijk werk van werd gemaakt….typisch! We konden na het middageten meteen een tocht maken op de riviertjes met een bootje en een plaatselijke gids. Het deed ons een beetje denken aan Tortuguero, maar de gids was veel beter en we zagen zo mogelijk nog meer moois. Hij liet ons zelf een Boa Constrictor zien die ergens in een tak boven het water lag te snoezen…Toen we na enkele heerlijke uurtjes terug voor de deur van ons hotel (dat naast de rivier lag) werden afgezet, stonden de zelfgemaakte pizza’s al klaar om in de houtvuuroven gestoken te worden…LA VITA È BELLA! De volgende dag zouden we doorsteken naar de Caribische kust, maar eerst nog een overnachting doen in het binnenland in Siquieres. Viel dat even tegen! We reden eerst door mistwouden waar de regenbuien ons toch wel een beetje TE hard aan België deden denken en toen we aankwamen bij het hotel dat we gereserveerd hadden, viel dit DIK tegen. We besloten hier te lunchen en ons niet kenbaar te maken en ik moest dan achteraf onder aanstekelijk irritant gegrinnik van de andere drie bellen om mee te delen dat we er niet geraakten door het weer (terwijl we er juist gegeten hadden) en maar hopen dat die man mijn stem niet zou herkennen. Het alternatief was een 5-sterren SPA hotel, klonk goed, maar hoe titels toch kunnen misleiden. Het hotel was zo ongezellig en onderkomen dat we die avond gewoon in een goedkope plaatselijke pizzeria gingen eten. Achteraf gezien was de eerste keuze misschien toch nog beter geweest. De volgende dag besloten we dus maar heel vroeg te vertrekken en door te steken naar de Caribische kust. Terug naar de hitte! Jippie! We reden helemaal tot in Puerto VIejo de Talamanca en konden hier kiezen uit een hele reeks hotelletjes waarvan er velen spijtig genoeg vol zaten. We vonden uiteindelijk toch plaats in een charmant hotelcomplex waar je in plaats van een kamer een huisje kreeg met terras, keukentje,… Hier waren we weer in een echt Caribisch surfparadijs aangekomen en we speelden in de golven totdat we overwoekerd waren met zeewier. Ik kreeg hier bijna mijn gedroomd wit strand met overhangende palmbomen en turkoois water, het kwam heel dicht in de buurt… We bleven hier nog een dag extra en bezochten een mangrove die we spijtig genoeg niet met bootje konden bezichtigen omdat het hoogtij was. Prachtige ongerepte natuur vlakbij de grens met Panama. Onze volgende plannen werden serieus in de war gestuurd door het weer. We zouden de jungle in het binnenland inrijden en gaan raften e.d., maar het weer aan de Caribische kust werd zo slecht dat de enige goede keuze leek van terug door te steken naar de Pacific Coast naar het schiereiland Nicoya. We reden een hele dag door (en een keer verkeerd en toen zakte papa met zijn been door een brug, hihi) om het slechte weer te omzeilen en toen we dan uiteindelijk dachten dat we aangekomen waren en onze Piña Colada al konden ruiken, bleek dat we in het verkeerde dorp zaten en nog eens 45 km in den donkere over een stoffige putrijke hobbelweg moesten waarop ons mama constant dacht dat we fout gereden waren. Dit gevoel werd nog eens versterkt toen de weg ineens stopte en overging in een rivier. Toen we (Birger en ik) zeiden dat we erdoor moesten, kwam er luid protest van ons mama (Nee Paul, we draaien nu terug, NU!!!!). Er kwam (gelukkig) juist een andere auto aan die vlotjes door het water reed, dus werd er een kinderlijke glimlach op onze papa zijn snuit getoverd toen hij ten volle van zijn 4x4 kon genieten (en wat hij met zijn eigen auto nooit zou durven). Na nog een aantal riviertjes overgestoken te zijn, kwamen we dan uiteindelijk aan in….PARADIJS onder de schuilnaam ‘Casa Caletas’! Dit werd het zaligste plekje van deze veertiendaagse. Een prachtig hotelletje met overlopend zwembad, openluchtrestaurant en zicht op de zee (zie foto’s). Het was hier zo rustig en zo heerlijk warm…het slechte weer en de lange rit waren meteen vergeten, zeker na een Piña Colada of twee! We bleven hier twee dagen en gingen onder andere oceaan kajakken wat hilaaaaaaarisch grappig bleek te zijn. Echt peddelen, peddelen en nog is peddelen en hop je kajak-surfte op de golven, zo snel dat dat ging!!! Ik wist echt niet dat dit zo tof was en ons mam en pap zien klungelen in hun boot maakte het allemaal nog veel grappiger. De tweede dag maakten we een uitstapje naar Samara en werden we voor de eerste keer bestolen. Wel door eigen dommerikkenheid, want de auto was per ongeluk niet afgesloten en ons mama haar rugzak was bijgevolg FOETSJIE! De 4x4 werd nog eens getest toen ons papa zichzelf tijdens het achteruitrijden nogal onhandig in een goot manoeuvreerde, maar zich er achteraf ook handig terug uitmanoeuvreerde (trotse snuit), ik vraag me stiekem af of hij het niet express gedaan had :o). Na een drie nachten in dit paradijselijk hotelletje, gepakt en gezakt richting Monteverde. Op weg hier naartoe dacht iemand blijkbaar dat de weg verlaten genoeg was om een plasje te doen in het midden van de weg tot er toch wel een tegenligger kwam zeker, die broek was RAP terug naar boven!!! Hilariteit alom! In Monteverde stond heel wat Ecotoerisme op het programma zoals een Canopy tour, Hanging Bridges en een nachtwandeling. De Canopy tour was honderd keer leuker als in Honduras en had als extra de ‘TARZAN SWING’…de naam zegt genoeg; je sprong van een platform en zwierde dan aan een koord in Tarzan style heen weer tussen de bomen. Dit was echt HEEEL grappig, vooral toen de mannen er niet in slaagden onze papa zijn voeten te vangen om hem te doen stoppen en ons mama haar gezicht voor ze sprong (doodsangst)! Hahahaha! Goed gelachen! Op de nachtwandeling zagen we zo verrassend veel dieren op een klein stukje bos (wasberen, vossen, luiaarden,…), dat we de gids ervan verdachten eten neergelegd te hebben of dat er iemand achter de bomen opeenvolgend een aantal kooien opendeed en dat het daarom een ‘nachtwandeling’ was. We zagen ook weer een heel harig tarantulla exemplaar (zie foto) dat ik niet graag alleen in den donkere zou tegenkomen. Ik reis in sneltempo (want ik moet nog ZOVEEL vertellen) door naar Lago de Arenal waar we onze papa zijn verjaardag vierden en getrakteerd werden op een gigantische plensbui die ons scheidde van het restaurant. De jarige vond er niet beter op om zijn kleren onder mijn regenjas te steken en in zijn zwembroek naar het restaurant te lopen (zie foto). Een gezellig verjaardagsavondje aan het haardvuur, een aantal cadeautjes en een flesje wijn en de avond was weer geslaagd. We hadden vanop ons terras een mooi zicht op het meer (al kon je vulkaan Arenal niet zien liggen, omdat het bewolkt was) en Birger kreeg hier van de kapper van huize Roelants een haarknipbeurt met het beste zicht ooit (zie foto). We hoopten dat het weer de volgende dag beter zou zijn, omdat we ons mama haar favoriete highlight op het programma hadden staan: Vulkaan Arenal. Daar de actieve vulkaan constant brokstukken uitspuwt, kan je hem niet beklimmen, maar wel wandelingen maken rond zijn voet en zijn gloeiende top bewonderen. Op weg naar La Fortuna, het dorpje aan de voet van de Arenal, verschoten we ons te pletter toen we voor onze neus een oplegger van een vrachtwagen zagen omkrakken waardoor de ganse weg met kiezelstenen bezaaid werd. Ons mama begon al meteen ijverig met een schep kiezelstenen in de plassen langs de weg te gooien zodat we langs daar door zouden kunnen rijden (grappig). Een galante man (niet onze papa :o) ontfutselde haar al gauw de schep en een klein halfuurtje later waren we weer ‘on the road’ om na de eerstvolgende bocht al terug te stoppen voor een familie schattige diertjes die langs de weg zaten. Ze trokken op wasberen, maar ik herinner mij de correcte naam niet meer (zie foto’s). Die beestjes hadden geroken dat we chips aan het eten waren en gingen allemaal elkaar staan verdringen op hun achterste pootjes en klommen zelfs op mijn benen om bij het eten te geraken (wat me enkele diepe krabben opleverde), echt suuuupergrappig. Terug onderweg bleek dat wat we gevreesd hadden, bevestigd werd: het meeste dat we te zien kregen van Vulkaan Arenal was zijn voet (zie foto van berg in de wolken). Niet echt spectaculair, maar niks aan te doen. We profiteerden dan maar van het zwembad, maakten een rondritje in de buurt en een wandeling. De volgende dag dachten we nog naar enkele vulkaankraters te gaan kijken, maar daar verwittigden ze ons aan de inkom al dat boven alles in de mist zat…weer niks dus! We hebben die twee weken echt pech gehad met het weer, terwijl wij eigenlijk nog geen slecht weer gehad hadden. Het was desondanks een schitterende 14-daagse waarin we veel gezien hebben en ook veel hebben gelachen. Het was helemaal anders dan alles wat we tot dan toe gedaan hadden en een hele toffe afwisseling. Nu was het echter tijd om de hotels terug in te wisselen voor hostals, de kingsize bedden voor muffe matrassen, de auto voor chickenbussen, de cocktails voor pintjes en de peepjes terug op het vliegtuig naar België te zetten. We hadden nog een laatste gezellige avond in San José en dan veeeeeeeel te vroeg naar de luchthaven, vier uur op voorhand hadden ze gezegd bij het reisbureau, dat was dus twee uur te vroeg… Nadat het afscheid dan eindelijk daar was, was het weer even aanpassen aan ons ‘getweetjes’. We bleven nog een nacht in San José, omdat het al laat was, maar de volgende dag was het weer tijd voor een nieuwe stempel in ons paspoort en een bijhorende nieuwe grensovergang die weer helemaal vertrouwd aandeed met alle sjacheraars erop en eraan!




Panama, 22/2/2008, 8006 km afgelegd
Taal: Spaans en Engels
Munteenheid: Balboas = Dollars
Inwoners: 3,2 miljoen
Oppervlakte: 75 517 km²




Na niet erg geslaagd afdingwerk propten we ons met veel te veel in een minibusje naar het haventje vanwaar we de watertaxi naar Bocas del Toro zouden nemen. We gingen naar het grootste eiland van deze eilandengroep, Isla de Colon, en werden meteen terug ondergedompeld in de Caribische sfeer. Daar aangekomen boekten we een tour voor de volgende dag en nestelden we ons in onze container: een kamer gemaakt van golfplaten, juist groot genoeg voor een twijfelaar, een ventilator, onze twee rugzakken en lakens die volgens mij niet gewassen waren (lagen gewoon op een hoopje op het bed, juist of iemand net was opgestaan en het zo had achtergelaten)…hmmm wel even aanpassen na twee weken hotel. De volgende dag vaarden we eerst naar ‘Bahia de los delfines’ waar we veel flippers zagen, maar niet mochten zwemmen omdat het er naast dolfijnen ook krioelde van de kwallen. Daarna brachten ze ons nog naar een snorkelplaats (niet zo spectaculair) en een prachtig wit zandstrand met enorme golven waarin het zalig spelen was. De laatste stop was nog een snorkelplaats waar we een visser een HAMERHAAI uit het water zagen halen!! Een kleintje weliswaar, maar waar kleintjes zijn… Er zaten ook een paar kindjes in een uitgeholde boomstam boven het rif te vissen en we zagen al snorkelend visjes brokjes van het aas afeten tot er eentje de gelukkige was en de grootste brok beet had, maar zich daarmee ongelukkig genoeg wel als bbq-materiaal bestempeld had. Na nog een uurtje snorkelen en gelukkig genoeg geen haaien (Birger zet nog steeds zijn zoektocht voort) terug naar ons hok. Nog een dag een wandeling gemaakt over het eiland en genoten van de sfeer om dan naar Bouquete te trekken.

We hadden op heel onze rondreis door Centraal-Amerika nog geen enkele Quetzal (prachtige zeldzame vogel) gezien. De Quetzal is het nationaal symbool van Guatemala (de munteenheid heet ook ‘quetzal’) en de Maya’s gebruikten zijn prachtige lange groene staartveren voor het maken van maskers en kostuums. Door zijn gegeerde pluimen is deze prachtige vogel nu met uitsterven bedreigd (we hoorden dat één staartveer op de zwarte markt 1000 dollar waard is!). Bouquete was onze laatste kans om deze vogel eindelijk eens met eigen ogen te aanschouwen en we lieten ons bed al vroeg in de morgen warm achter om de ‘sendero de los quetzales’ te doen. Een wandeling met die naam, dat kon toch alleen maar goeds betekenen, dachten we. We kregen geen ongelijk. Na een uur wandelen zagen we al vier quetzals overvliegen en Birger werd echt zot. Na een drie uur durende klim tot een uitkijkpunt gepuft te zijn en daar gegeten en uitgerust te hebben, zagen we op de terugweg nog eens een zestal quetzals en konden we zelfs foto’s nemen (zie foto’s). Na zeven uur ploeteren kwamen we eindelijk terug bij ons hostal aan, uitgeput maar blij. We betaalden onze volgens mij aan de coke zittende eigenaar van het hostal (die deed echt superraar en zat heel de tijd aan zijn neus te frullen) en stonden de volgende morgen vroeg op om weer maar eens een bus te halen. Deze keer was onze bestemming Panama City. Verscheidene uren bus en ettelijke sjacheraars later kwamen we eindelijk aan in Panama. Een vriendin van een vriendin van mij, Kaat, werkt voor een jaar in Panama dus ik stuurde haar meteen een mailtje om af te spreken. We informeerden bij de eigenaar van het hostal naar bootreizen van Panama naar Colombia (we hadden ergens gelezen dat dit gedaan werd) en hij zei dat hij de kapitein kende van een 40m lange zeilboot die vier dagen later naar Cartagena zou vertrekken en plaats had voor een twintigtal mensen (crew inbegrepen). We waren superblij en legden meteen vast. Die avond dachten we ons geluk nog eens te beproeven in één van de ontelbare casino’s. Deze keer hadden we minder geluk en werd het in plaats van 120 dollar winst slechts 8, maar ja alles beter dan verlies. We waren echt super in de wolken over onze boottocht en genoten met volle teugen van Panama. Het is een hele moderne stad met wolkenkrabbers a la New York (al zal dat nog wel even ietsje meer overweldigend zijn), een charmant oud gedeelte dat aan Havana doet denken en vanwaar je over het water de skyline kan bewonderen, veel moderne winkels (ik kon hier eindelijk de laatste Harry Potter kopen voor op de boot) en het was een verademing eindelijk nog eens in een toffe grote stad te zijn. We bezochten het Panama kanaal, wat heel teleurstellend was voor mij (ik had iets verwacht in de aard van het kanaal van Corinthe) daar je gewoon een rivier ziet die dan overgaat in een aantal sluizen die ik in Herentals op het Netekanaal ook kan ‘bewonderen’. Ze hadden wel hun best gedaan een mooi museum te openen en dat maakte de inkom van 8 dollar dan toch nog een beetje goed. Die avond spraken we af met Kaat en zij toonde ons haar mega-waw-luxe appartement (allemaal betaald door het werk) en nam ons in haar auto mee naar de toffe plekjes van de stad. We belandden uiteindelijk in Calle Uruguay, naar het schijnt één van de populairste uitgaansbuurten van Centraal Amerika, het was eraan te merken! ‘t één en ‘t ander en de lijfspreuk van alle vrouwen in Latijns-Amerika: ‘Less is more’ werd hier NOG enthousiaster nageleefd en nog zo’n leuze ‘hoe spannender hoe beter’ of hoe voller de vrouw hoe kleiner het maatje (soms moet ik een beetje aan slagersworsten denken). Natuuuuuuuuurlijk werd ik (hoe klein ik mij ook probeerde te maken) in de discotheek die we uitgezocht hadden op het podium geroepen voor één of andere proef. Omdat ik die man al eerder had afgewimpeld, ging ik dan toch maar mee. Uiteindelijk stonden er zes meisjes op het podium van zes verschillende landen. Ik wist nog steeds niet wat de bedoeling was. Toen riep hij de Costa Ricaanse en de Colombiaanse naar voor en moesten ze tegen elkaar dansen. Amai ik was RAP weg zenne!!!! Zelfs in de goorste r&b clips heb ik nog nooit gezien hoe die met alles waarmee er te schudden viel begonnen te schudden, NIET NORMAAL!!!! Het was een heel gezellige avond en we waren echt jaloers op Kaat, we zouden meteen tekenen voor een soortgelijk contract, wie weet. Ze had trouwens bijna stand-inn geweest als Bond-girl (de nieuwe Bond-film wordt in Panama gedraaid, maar het moet Colombia voorstellen) daar de oorspronkelijke stand-inn niet kon en ze een grote blonde zochten, maar dat werd op het laatste moment toch afgezegd, BUMMER! Na drie dagen Panama City vertrokken we naar de San Blas eilanden vanwaar we dan de volgende dag met de zeilboot zouden vertrekken. We werden met de grootste schrootjeep ooit opgehaald aan het hostal. Na een vier uur lange hobbelige rit en ettelijke keren gestopt te zijn (de veren van de jeep waren kapot en na elke diepe put moest de krik bovengehaald worden en een nieuw stuk hout tussen de vering gestoken worden) werden we afgezet aan een rivieroever in de jungle. Een halfuurtje later kwam er een bootje aan dat ons meenam naar één van de eilandjes waar we zouden overnachten. We vaarden voorbij minuscule eilandjes waar nog een authentiek indianenvolkje, de ‘Kuna’s’, woont. Alle eilanden in San Blas Archipel zijn hun eigendom, ze zijn een autonome gemeenschap met een eigen regering en leven nog steeds min of meer hetzelfde als voor de Spaanse binnenval 500 jaar geleden. We vaarden ook voorbij een mega grote zeilboot die vlakbij ‘ons’ eilandje voor anker lag en Birger zei nog ‘amai, als dat onzen boot is dan word ik ZOT!’ (hij is nu dus helemaal GAGA, want het WAS onze boot :o) ). Het eilandje waar wij op verbleven telde misschien een honderdtal hutjes. We kregen er eentje voor onszelf en maakten kennis met de andere mensen die hier verbleven. Toen iedereen er was, propten we ons allemaal terug in het bootje en vaarden we een klein uurtje langs de meest idyllische eilandjes met mijn zo gegeerde overhangende palmbomen over turkooishelder water en parelwit strand. Mijn mond viel echt open! Uiteindelijk stopten we op één van deze pareltjes en werd er in een hutje lunch voor ons gemaakt. Birger had zijn snorkel mee en het was hier het mooiste snorkelen dat we al gezien hebben op deze reis. WAAAUW echte heuse onderwatersteden met prachtige kleuren en vormen en waanzinnig veel verschillende vissen. We konden het gewoon niet geloven dat we op zo een prachtige plek waren. Juist een decor van een reclamespotje voor één of ander reisbureau of voor Bounty…echt de mooiste stranden die ik ooit al gezien heb! Na een hele zalige dag terug de boot in en naar ons mini-eilandje. We genoten met zijn allen gezellig van het spotgoedkope avondmaal en bewonderden de prachtige onbezoedelde sterrenhemel. Hadden we dit geweten dan waren we al een dag vroeger uit Panama vetrokken en waren we misschien niet bestolen geweest (een personeelslid (een Australiër) van het hostal had 400 dollar uit onze portefeuille gehaald die in het kluisje zat en was hem dan gesmeerd met de laptop van de eigenaar, SMEERLAP!!!).




De volgende ochtend na het ontbijt stond Kapitien Lulu daar al om ons naar het ruime sop te brengen. Nu dachten we helemaal dat we droomden, wat een geweldig schip! ‘Die Stahlratte’ is 105 jaar oud en eigendom van een soort Duitse commune die dertig jaar geleden de boot gekocht had en nu een beetje uiteengevallen is. Ze doen zulke tours om geld bijeen te halen om de boot te kunnen onderhouden en hebben al overal gezeten. Bootje per bootje kwamen alle opvarenden aan en het werd een bont internationaal gezelschap: Duitsland, Oostenrijk, Zweden, Noorwegen, Engeland, USA, Australië en België allemaal onder één dak of onder één mast dan toch. De eerste dag vaarden we een paar uur (met gehijste zeilen, maar de motor ook aan) naar een eilandengroepje waar we drie dagen zouden blijven. Je kon vooraan de boot in de netten boven het water gaan liggen en bij het naar beneden kijken merkte ik ineens op dat er een groep dolfijnen met de boot meezwom….ONGELOFELIJK. Het benedendek was uitgerust met stapelbedden en dubbele bedden en op het bovendek stonden een paar strandstoelen en een grote tafel waar we met zijn allen aten (zie foto’s). Elke dag was er een groep verantwoordelijk voor het eten. De dag dat ik moest koken was het bbq op één van de eilandjes. We (Laura, Hanna, Vanessa en ik) moesten dus enkel ontbijt maken en groentjes snijden voor de brochettes die iedereen dan zelf moest maken op het eiland. Dit was een zaaaaalige avond, ik zal de foto’s hun werk laten doen want ik kan het toch niet beschrijven. We hadden jullie allemaal graag naar daar gezapt om jullie te laten meegenieten want het was echt super. Pintjes drinken in het warme kristalheldere water in een prachtige omgeving, brochettes roosteren boven het vuur en daarna kampvuur met Kapitien Lulu als gitarist en zanger en MAN die kon er wat van! Duitsers hebben normaal een nogal lelijk accent als ze Spaans spreken, maar ik heb in Sevilla, de stad van de flamenco, live geen betere flamenco horen zingen en spelen als hier op dit Caribisch eiland door nen Duitser, hoe ironisch. Hij had drie jaar in Cadiz gewoond (ook met de boot) en kende dus een enorm flamencorepertoire, kon enorm goed gitaar spelen en beheerste de typische flamenco ‘klaagzang’. Laura, half Australisch half Grieks, bleek een enorm talent te bezitten om grappige liedjes uit haar duim te zuigen onder gitaarbegeleiding van Kapitein Lulu en dit zorgde voor veel hilariteit (ik zat twee dagen later nog met haar deuntjes in mijn hoofd). Die drie dagen waren gewoon genieten, genieten en nog is genieten. Eén van de Noorse meisjes zag tijdens het snorkelen een rifhaai en Birger zat hierna dus meer in het water als op de boot, maar had tot zijn grote spijt geen geluk (ik moet er nu van hem bijtypen; ‘maar hij zag wel een enorme barracuda, ne gigantische stingray en een octopus’ :o)). De vierde dag vertrokken we ‘s morgens vroeg richting volle zee en zouden dan een 30-tal uur aan een stuk varen tot Cartagena, Colombia. Ik ben niet echt zeeziek geworden (Laura werkt als stewardess op een extreem luxueus jacht en had goede pillekes), maar het zal toch niet veel schelen. Ik was nog nooit echt op volle zee geweest en dat zijn toch wel fameuze hoge golven. Veel meer als liggen en lezen kon je niet doen, want dan werd je veel te duizelig (ik had compassie met de kookploeg van die dag). We genoten weer meermaals het gezelschap van groepen dolfijnen en ’s nachts werd het geagiteerde water rond de boeg verlicht door fluorescentie, niet enkel een betoverende sterrenhemel boven onze hoofden dus, maar ook één onder onze voeten, PRACHTIG! Die nacht deed ik niet meer dan een halfuur aan een stuk een oog dicht. Constant klots, klots, klots,…van links naar rechts naar rechts naar links heen en weer en terug…. ik werd CONSTANT wakker. Tegen de ochtend aan deed ik dan uitgeput toch nog een dutje en toen ik wakker werd, was er al land in zicht….de skyline van Cartagena!!! Ook wel een mooi zicht, maar ik had toch een beetje hartzeer dat onze zeepbel dra zou worden doorgeprikt. Als we niet al naar Cuba geweest zouden zijn zouden we zeker binnen een week terug meegegaan zijn met de ‘Stahlratte’. Ze zouden zeven volle dagen naar Cuba varen, daar een paar dagen blijven, dan een volle dag naar Jamaica varen, daar ook een paar dagen blijven en dan terug naar Colombia varen. Heel aanlokkelijk, maar we hebben nog zo veel te zien en toch niet ZO heel veel tijd meer, dus misschien ooit in een ander leven.




Colombië, 8/3/2008, 9129 km afgelegd
Taal: Spaans
Munteenheid: Colombiaanse Pesos
Inwoners: 43 miljoen
Oppervlakte: 1 141 748 km²




We werden in groepjes naar land gebracht en belandden bijna allemaal in hetzelfde hostal. Die avond spraken we met heel de groep (ook de crew) af om lekker te gaan eten. Cartagena bleek een prachtige stad te zijn. Misschien wel de mooiste koloniale stad die ik al gezien heb. Deed me heel erg aan Spanje denken, maar dan minder ‘clean’ en dat vond ik wel tof. Het werd weer een superavond. Birger bleef met de kerels rum cola drinken op de stoep van een barretje en ik ging met de meisjes naar boven een dansbar binnen. Op een gegeven moment zagen we vanop het balkon van de bar security en politie aankomen en kwamen er vier heel opgedirkte meisjes en jongens de bar binnen. Bleek dat één van die jongens de zoon van de president van Colombia was. We konden ons nog net inhouden van een foto te vragen, daar zorgden de dreigende katachtige blikken die de meisjes in onze richting bliksemden wel voor, haha. We bezochten de tweede dag een minivulkaan (Vulcan de Lodo) waarin een soort mineraalrijke modder in het kratertje stond. Dit was echt SUPERRAAR. We klommen één voor één langs een trapje naar beneden en lieten ons in de smeuïge modder zakken. Het was echt vreemd, je kon geen bodem voelen en toch zakte je niet verder weg, je bleef gewoon steken en kon totaal niet gecoördineerd bewegen. Als je je evenwicht verloor, viel je als het ware om. Echt heel grappig en de moeite waard! We maakten de volgende dagen nog veel plezier en ik ging elke avond uit, maar Birger was altijd te moe, waar kennen we dat van? (die eerste avond viel hij zelfs naar goede gewoonte in slaap op de toog, neenee hij is geen haar veranderd :o) Na drie dagen was het voor ons echter tijd om naar Bogotá (20 uur bus) af te zakken daar we zo snel mogelijk een goedkope vlucht naar ergens zo zuidelijk mogelijk wilden boeken en dit op het internet niet goedkoop genoeg vonden. De rest trok samen verder naar Santa Martha voor nog meer strand en ik had toch wel spijt, want wij moesten nu voor lang ‘ADIOS!’ zeggen tegen het strand. We willen nu zo snel mogelijk zuidelijk reizen, omdat we Patagonië willen doen en als we nog langer wachten, gaat het daar veeeeel te koud zijn. We hebben in Bogotá een vlucht gevonden naar Chili (21 maart) en zullen nu eerst Patagonië (Chili en Argentinië) doen en van daaruit terug naar boven reizen naar Bolivië, Peru en Ecuador en dan uiteindelijk naar Brazilië vanwaar we terug naar huis vliegen, maar dit is nog wel even weg. De resterende dagen voor de vlucht gebruiken we om nog een beetje van Colombia te zien. Bogotá viel een beetje tegen door het weer (regenachtig, grijs en koud). We bezochten het goudmuseum en een tentoonstelling van Botero, beiden gratis. Cali was een toffe stad, maar vooral Popayan was echt de moeite. ‘La ciudad blanca’ heeft zijn naam niet gestolen, alles is oogverblindend WIT! We deden vanuit Popayan een uitstapje naar Silvia, een dorpje waar nog een indianenvolk leeft en zich nog kleedt in traditionele kledij. Het was markt die dag en heerlijk om rond te dwalen door de straatjes en te genieten van de folklore. De processies tijdens de Samana Santa in Popayan zouden de tweede mooiste van de wereld zijn (na die van Sevilla). Het was inderdaad het een en het ander (maar Sevilla was inderdaad nog wel net iets ‘WAW-er), al waren wij voor de omstaanders meer attractie dan de processie. Schoolkinderen die met de stoet meeliepen, kwamen constant dingen vragen (honderd keer hoe laat het was en waar we vandaan kwamen en dan duidelijk niet wisten waar België lag) en of ze met ons op de foto mochten. Op de duur werd het een beetje overdreven en voelden we ons echt bekeken. Twee mannen die achter ons stonden werden door de ‘omnipresente’ militairen zelfs verzocht van weg te gaan, omdat ze ‘verdacht’ gevonden werden. We waren precies sterren, haha! Er is hier duidelijk nog niet veel toerisme, waarschijnlijk door de slechte reputatie die het FARC de streek gegeven heeft, maar wij waren verrast hoe oprecht vriendelijk de mensen in Colombia zijn, het was echt de moeite. We hebben geen slechte ervaringen gehad en ons altijd heel erg op ons gemak gevoeld. Na 15 uur bus en weinig slaap zijn we nu terug in Bogatá en morgenmiddag vliegen we over Lima naar Santiago de Chile voor weer een hoop nieuwe belevenissen. Ik ga nu afsluiten, want er zit hier een kerel enorm hard te ‘SCHMAKKEN’ (het meisje naast mij zit zelfs met haar oren toe te lezen) en zijn zakje pindanootjes is nog LANG niet leeg!!!!!! :o)




U ziet het, we stellen het nog steeds goed, zien elkaar nog altijd graag, maar kijken nu toch al uit naar een dik pak friet met veeeeeeeeeeeel MAYONAISE en een lekkere frisse Belgische PINT!!!!!